Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:213

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
17/403 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:49, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht ingetrokken. Toetsing aan de hand van arrest Korošec. 1) Zorgvuldige besluitvorming. 2) Geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. 3) Inhoudelijke beoordeling. Geen twijfel aan de juistheid van de vastgestelde psychische belastbaarheid van appellante.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen sprake kan zijn van een Amber-beoordeling op grond van artikel 55 van de Wet WIA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 403 ZW

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 januari 2017, 16/1396 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2018. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als pedagogisch medewerkster kinderdagverblijf voor 20 tot 25 uur per week. Het dienstverband is op 1 december 2014 geëindigd. Appellante heeft zich op 3 december 2014 ziek gemeld met lage rugklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 26 oktober 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 november 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 98,65% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 25 november 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 3 januari 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een aangepaste FML ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat geen sprake kan zijn van een Amber-beoordeling nu de wettelijke termijn van vijf jaar is verstreken sinds het besluit van 17 augustus 2009 waarbij is vastgesteld dat appellante per 5 juni 2009 geen recht had op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en de getrokken conclusie kan dragen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat door appellante geen medische informatie is overgelegd die tot een andersluidend oordeel leidt. Uit het zogenoemde Korošec-arrest volgt niet zonder meer volgens de rechtbank dat zij gehouden is een deskundige te benoemen in alle zaken waarin is geadviseerd door medisch adviseurs die, zoals de verzekeringsartsen van het Uwv, in dienst zijn van het bestuursorgaan. Uit die uitspraak volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat uitsluitend op de grond dat een betrokkene het niet eens is met de conclusies van een verzekeringsarts door de rechtbank een onafhankelijk medisch deskundige moet worden benoemd. Nu de rechtbank de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken van het Uwv in dit geval zorgvuldig heeft geacht heeft zij geen aanleiding gezien een deskundige te raadplegen. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien appellante te volgen in haar standpunt dat sprake is van ongelijke proceskansen. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende mogelijkheden gehad om haar punten naar voren te brengen, zij is in bezwaar gehoord en zij heeft kunnen aanvoeren waarom zij het niet eens is met het primaire besluit. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat uit het primaire besluit blijkt dat appellante de rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft ontvangen, dat appellante zelf contact met haar behandelaars had kunnen opnemen voor aanvullende medische informatie en voorts dat zij tijdig onderliggende stukken heeft ontvangen op basis waarvan op 11 november 2016 aanvullende gronden zijn ingediend. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van een Amber-beoordeling geen sprake kan zijn. Voorts heeft appellante – samengevat − gesteld dat de artsen van het Uwv geen zorgvuldig onderzoek hebben verricht en dat haar beperkingen zijn onderschat. De rechtbank heeft in haar uitspraak haar oordeel over de zorgvuldigheid van de medische grondslag van het bestreden besluit en de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid onvoldoende gemotiveerd. Zij heeft, zo stelt appellante, haar uitspraak volledig onderbouwd aan de hand van de onderzoeksgegevens van het Uwv. Dit is in strijd met het wettelijk kader en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015 ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec). De bewijslast die de rechtbank bij appellante heeft neergelegd heeft zij op grond van de wet niet. Ter motivering van haar standpunten heeft appellante diverse (medische) stukken ingediend. Tot slot heeft zij de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2017, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet WIA, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

Ter beoordeling is of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per 3 januari 2016 geen recht meer heeft op een

ZW-uitkering omdat zij op die datum, met haar medische beperkingen, nog in staat was meer dan 65% te verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

4.3.

Het beroep van appellante op het arrest Korošec spitst zich toe op de stelling dat een onafhankelijk deskundige moet worden ingeschakeld, omdat de rechter zelf niet medisch deskundig is en het risico groot is dat daarom de artsen van het Uwv te snel worden gevolgd.

4.4.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellante op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen over de in die uitspraak te onderscheiden stappen.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.5.

Evenals de rechtbank wordt geoordeeld dat de besluitvorming door het Uwv zorgvuldig is geweest. Appellante is op 26 oktober 2015 gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts en op 22 december 2015 bij de hoorzitting door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Van de zijde van het Uwv is inhoudelijk gereageerd op de door appellante ingediende rapporten en medische informatie. In wat appellante heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Stap 2: equality of arms

4.6.

Uit het hogerberoepschrift blijkt dat het verzoek van appellante om een deskundige in te schakelen niet is gebaseerd op de stelling dat er geen sprake is van equality of arms tussen partijen, maar op de grond dat de door partijen ingebrachte medische informatie moet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een zodanige mate van twijfel, dat het inschakelen van een deskundige aangewezen is. Appellante heeft ook daadwerkelijk haar standpunt onderbouwd met rapporten van onder meer het instituut Psychosofia.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.7.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is geen reden om met betrekking tot de psychische klachten meer beperkingen aan te nemen. Hierbij is van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in het kader van zijn heroverweging in bezwaar, heeft onderkend dat de verzekeringsarts weinig aandacht heeft gehad voor de psychische situatie van appellante. Haar anamnese in bezwaar, waarbij tevens aandacht is geweest voor haar medicatiegebruik en behandeling, is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding geweest beperkingen aan te nemen op de gebieden persoonlijk en sociaal functioneren. Ook ten aanzien van de door appellante geclaimde rugklachten heeft deze arts aanleiding gezien de eerder opgestelde FML aan te scherpen, dit om te voorkomen dat appellante langdurig en/of veelvuldig diep buigt. De onderbouwing door de verzekeringsarts van de voor appellante aangenomen beperkingen wordt overtuigend geacht en de in hoger beroep ingediende informatie, namelijk de brief van de huisarts van 19 april 2016, de rapporten van Psychosofia van 14 november 2016 en de brief van psycholoog E.S. Meij van 24 maart 2016, geeft gelet op de goed gemotiveerde reactie daarop van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde psychische belastbaarheid van appellante. Uit deze informatie blijkt niet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante, een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding. Gelet hierop is er ook geen reden om een deskundige te benoemen.

4.8.

De beroepsgrond van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake kan zijn van een Amber-beoordeling op grond van artikel 55 van de Wet WIA slaagt niet. De overweging die de rechtbank in haar uitspraak aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd wordt volledig onderschreven.

5. Wat in 4.2 tot en met 4.8 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is een veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md