Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:211

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
16/5982 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Verzoek van appellant om een herbeoordeling van de WIA uitkering terecht afgewezen. Geen wettelijke basis voor een arbeidskundige herbeoordeling als de verzekerde al een jaar minder dan 35% arbeidsongeschikt is op basis van de feitelijke verdiencapaciteit bij de eigen werkgever. De tekst van artikel 56, derde lid van de Wet WIA geeft daar geen aanleiding voor. Uit het artikel volgt dat de enige voorwaarde voor het intreden van het rechtsgevolg dat het recht op uitkering eindigt is of de betrokkene met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen. De toepasselijkheid volgt geheel uit de feitelijke omstandigheden.

2) Verzoek om terug te komen van het intrekkingsbesluit terecht afgewezen. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/63
RSV 2019/44
USZ 2019/80 met annotatie van P.S. Fluit
AB 2019/238 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5982 WIA, 17/3820 WIA

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van

5 augustus 2016, 15/5679 (aangevallen uitspraak 1) en van 19 april 2017, 16/4819 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen in beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 4 oktober 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beishuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 12 maart 2010 ziek gemeld als gevolg van een herseninfarct. Hij was toen werkzaam als senior projectmanager bij [naam bedrijf] . Bij besluit van 27 februari 2012 heeft het Uwv appellant met ingang van 9 maart 2012 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA‑uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hierbij is zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 41,08%. De loongerelateerde uitkering loopt tot 9 mei 2015. Appellant is naast zijn uitkering werkzaam gebleven voor zijn werkgever en zijn inkomsten worden verrekend met zijn uitkering.

1.2.

In februari 2014 heeft een arbeidskundige herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid in verband met de inkomsten uit arbeid. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 13 februari 2014 beschreven dat hij een verhoging van het SV‑loon ziet vanaf januari 2013. Het hogere bedrag blijkt geheel betrekking te hebben op de bijtelling van de auto van de zaak. Door de Wet uniformering loonbegrip (WUL) is per januari 2013 de opgave van het loon met inbegrip van de bijtelling van de auto van de zaak bepalend voor de gerealiseerde verdiencapaciteit. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant wordt op basis van de verhoogde loonopgave berekend op 33,38%. Bij besluit van 17 februari 2014 is aan appellant meegedeeld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat hij per 9 mei 2015 geen WIA‑uitkering meer krijgt. Bij besluit van 7 mei 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 februari 2014 ongegrond verklaard onder verwijzing naar het rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.

16/5982

2.1.

Op 19 januari 2015 heeft appellant verzocht om een herbeoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid. Door harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden bij zijn werkgever is de autoregeling gewijzigd waardoor de nieuwe bedrijfsauto van appellant een bijtelling kent van 14%. Daarnaast is de eigen bijdrage van appellant verhoogd. Als gevolg hiervan heeft hij een lager SV-loon. Appellant heeft zich bij zijn verzoek beroepen op de volgende zin in het besluit van 7 mei 2014: “Mochten uw inkomsten cq SV-loon, door wijziging in de cao, op 9 mei 2015 dusdanig lager zijn dat u voor meer dan 35% arbeidsongeschikt bent, dan kunt u altijd een verzoek indienen de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen wegens uw lagere inkomsten cq SV-loon”.

2.2.

Bij besluit van 10 maart 2015 heeft het Uwv het verzoek van appellant om een herbeoordeling van de WIA‑uitkering afgewezen. Bij besluit van 29 september 2015 (het bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 10 maart 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en beslissingen gegeven over de proceskosten en vergoeding van het griffierecht. Volgens de rechtbank is geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel. In de in 2.1 aangehaalde zin staat slechts dat appellant onder omstandigheden een verzoek om een herbeoordeling kan doen. De zin bevat geen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waaraan appellant conclusies kon verbinden. Bovendien heeft het Uwv de desbetreffende zin rechtgezet met (de uitleg in) het besluit van 10 maart 2015. Dit is vóór 9 mei 2015, de datum waarop de desbetreffende zin voor appellant consequenties had kunnen hebben. Zelfs als appellant een herbeoordeling had aangevraagd op of vlak na 7 mei 2014 had dit niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. De situatie dat appellant feitelijk meer dan 65% van het maatmaninkomen is gaan verdienen, dateert al van ruim een jaar daarvoor, te weten sinds 1 januari 2013. Omdat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering is de einddatum van de uitkering terecht bepaald op 9 mei 2015. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 24 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4461. Er is geen wettelijke basis voor een arbeidskundige herbeoordeling als de betrokkene al een jaar minder dan 35% arbeidsongeschikt is op basis van de feitelijke verdiencapaciteit bij de eigen werkgever. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dwingen niet tot een dergelijke herbeoordeling in strijd met de wettelijke regeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 herhaald dat het Uwv het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, gelet op zijn mededeling in de beslissing op bezwaar van 7 mei 2014 dat ook bij inkomensachteruitgang een verzoek tot herbeoordeling kan worden ingediend. Omdat hij op 19 januari 2015, de datum van zijn verzoek, nog aanspraak had op een WGA‑uitkering en deze uitkering op dat moment nog niet beëindigd was, heeft het Uwv zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat een herbeoordeling slechts dan aan de orde kan komen als sprake is van een gestelde toename van de beperkingen.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak 1 bepleit. In het nader ter zitting toegelichte verweerschrift van 15 juni 2017 heeft het Uwv uiteengezet dat artikel 56, derde lid, van de Wet WIA als volgt moet worden uitgelegd. Indien een WGA‑gerechtigde op enig moment met feitelijke werkzaamheden meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen moet de uitkering worden beëindigd. Artikel 56, derde lid, van de Wet WIA stelt niet de voorwaarde dat de arbeid een heel jaar moet zijn verricht of gedurende een heel jaar sprake moet zijn geweest van inkomsten die meer dan 65% van het maatmaninkomen bedragen. Als gedurende de uitlooptermijn van een jaar de arbeid geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt en/of de inkomsten niet langer meer bedragen dan 65% van het maatmaninkomen, moet de WGA‑uitkering toch worden beëindigd. Dit vloeit enerzijds voort uit het karakter van genoemd jaar, (het is een uitlooptermijn, waardoor slechts de effectuering van de al vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgesteld) en anderzijds uit het bepaalde in artikel 9 onder i van het Schattingsbesluit (waarin is geregeld dat de al aan de hand van de feitelijke verrichte arbeid vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in beginsel in stand blijft, als nadien die arbeid niet meer wordt verricht). Alleen als de mate van arbeidsongeschiktheid bij het einde van de uitlooptermijn van een jaar tot ten minste 35% is toegenomen, bijvoorbeeld als gevolg van inmiddels toegenomen beperkingen, mag de beëindiging van het WGA‑recht niet worden geëffectueerd. De conclusie van het Uwv is dat een eventuele herbeoordeling niet van invloed zou zijn geweest op het besluit van 17 februari 2014. In het verweerschrift van 10 juni 2016 en ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat hij artikel 56, derde lid, van de Wet WIA zo uitvoert dat indien een WGA‑gerechtigde een jaar lang met arbeid meer dan 65% van het maatmaninkomen heeft verdiend, zonder tussenkomst van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige besloten wordt dat die arbeid passend is en dat de WGA‑uitkering wordt beëindigd één jaar na aanvang van de werkzaamheden, maar niet eerder dan de dag waarop de loongerelateerde uitkering eindigt.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of voor beëindiging van het recht op een WGA‑uitkering per 9 mei 2015 op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet WIA kan worden volstaan met de vaststelling dat het inkomen dat met de feitelijke werkzaamheden is verworven gedurende een jaar tot een verlies aan verdienvermogen van minder dan 35% heeft geleid of dat daarbij het verlies aan verdienvermogen per 9 mei 2015 ook moet worden beoordeeld.

5.1.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gedurende meer dan één jaar meer dan 65% van zijn maatmaninkomen heeft verdiend. Ook is niet in geschil dat als het begin januari 2015 gewijzigde SV‑loon in aanmerking zou worden genomen, dit per 9 mei 2015 zou leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van meer dan 35%. Evenmin is in geschil dat appellant alleen wegens zijn gewijzigde SV‑loon en niet op medische gronden om een herbeoordeling heeft gevraagd.

5.2.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA eindigt het recht op een WGA‑uitkering op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Ingevolge het tweede lid eindigt het recht op een WGA‑uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, in afwijking van het eerste lid onder a, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, maar niet eerder dan op de dag dat de LGU eindigt. Ingevolge het derde lid eindigt het recht op een WGA‑uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, in afwijking van het tweede lid, één jaar na de dag waarop hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA‑uitkering eindigt.

5.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen wettelijke basis is voor een arbeidskundige herbeoordeling als de verzekerde al een jaar minder dan 35% arbeidsongeschikt is op basis van de feitelijke verdiencapaciteit bij de eigen werkgever. De tekst van artikel 56, derde lid van de Wet WIA geeft daar geen aanleiding voor. Uit het artikel volgt dat de enige voorwaarde voor het intreden van het rechtsgevolg dat het recht op uitkering eindigt is of de betrokkene met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen. De toepasselijkheid volgt geheel uit de feitelijke omstandigheden, waartoe wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 24 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4461, en van 6 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1633. Voor de vraag of die arbeid passend is in arbeidskundig opzicht is dan geen plaats. Het feit dat iemand die verdiensten genereert, maakt dat de arbeid passend is. De omstandigheid dat een verzekerde na meer dan 65% van het maatmaninkomen te hebben verdiend, op de datum dat de wettelijke uitlooptermijn eindigt, weer een geringer verdienvermogen dan 65% heeft, kan aan het intreden van het rechtsgevolg op grond van artikel 56, derde lid van de Wet WIA niet afdoen. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat het recht op uitkering eindigt per 9 mei 2015, zonder dat daartoe een arbeidskundige herbeoordeling was vereist.

5.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld, dat het beroep op het vertrouwensbeginsel appellant niet kan baten. Voor het slagen van een beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. De zin zoals weergegeven in 2.1 blinkt weliswaar niet uit in duidelijkheid over het verrichten van een nieuwe beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid, maar bevat in ieder geval geen voldoende concrete, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat er ook inderdaad een herbeoordeling zal plaatsvinden.

17/3820

6. Bij besluit van 22 juli 2016 heeft het Uwv een verzoek van appellant van 29 oktober 2015 om terug te komen van het besluit van 17 februari 2014 afgewezen, omdat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden had aangevoerd. Bij besluit van 26 september 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

7. Bij de aangevallen uitspraak 2 is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangevoerd.

8. Appellant heeft aangevoerd dat hij als gevolg van de zin in het besluit van 7 mei 2014, zoals weergegeven in 2.1, geen beroep heeft ingesteld tegen dat besluit. Dat het Uwv daarna zijn standpunt heeft gewijzigd, in die zin dat er geen herbeoordeling zal plaats vinden, is een nieuw feit.

9. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

10. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

11.1.

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

11.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad worden onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten en omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. Gelet op wat hiervoor in 5.3 is overwogen, namelijk dat het Uwv artikel 56, derde lid, van de Wet WIA juist heeft toegepast, kan een mogelijk gewijzigd standpunt van het Uwv over een herbeoordeling bij beëindiging van de WGA-uitkering van appellant niet leiden tot een ander besluit dan het besluit van 17 februari 2014. Reeds daarom is geen sprake van een nieuw feit. Evenmin is er aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

In beide zaken

12. De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken zullen, voor zover deze zijn aangevochten, worden bevestigd.

13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken, voor zover deze zijn aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en R.E. Bakker en R.B. Kleiss als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen

md