Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:209

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
16/2173 WIA-S
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming. Geen causaal verband. Dat, zoals verzoekster (werkgever) heeft gesteld, de gang van zaken rondom de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst waarbij het dienstverband is geëindigd, en dan met name de lange periode die met die totstandkoming was gemoeid, zou zijn terug te voeren op de onrechtmatige besluitvorming door het Uwv, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De voortzetting van het dienstverband na 17 oktober 2014 moet daarmee eerst en vooral worden toegeschreven aan eigen keuzes van verzoekster in samenspraak met de werknemer. De schade die verzoekster als gevolg van die voortzetting stelt te hebben geleden staat daarmee niet in een zodanig verband met de besluiten van het Uwv dat zij het Uwv als een gevolg van die besluiten kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/102
RSV 2019/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2173 WIA-S

Datum uitspraak: 23 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoekster] B.V. te [vestigingsplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:286, heeft de Raad uitspraak gedaan op het hoger beroep dat verzoekster had ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

Noord-Nederland van 29 maart 2016, 15/3468. De Raad heeft bij zijn uitspraak onder meer bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding.

Partijen hebben over en weer hun standpunten schriftelijk uiteengezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Voor verzoekster zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen, bijgestaan door mr. B. van Dijk, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. Bij de uitspraak van 24 januari 2018 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank

Noord-Nederland vernietigd, de beslissing op bezwaar van 13 juli 2015 deels vernietigd, het primaire besluit van 2 februari 2015 deels herroepen en het Uwv veroordeeld in de kosten van verzoekster. Bij het primaire besluit heeft het Uwv een werknemer van verzoekster met ingang van 17 oktober 2014 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij heeft het Uwv bepaald dat de WGA-uitkering voor de duur dat de werknemer recht heeft op loondoorbetaling van verzoekster, gelet op de hoogte van het loon van € 2.673,51, niet tot uitbetaling komt. De Raad heeft overwogen dat een voldoende grondslag voor de door het Uwv gegeven toepassing aan artikel 61 van de Wet WIA ontbrak, omdat niet afdoende is komen vast te staan dat de werknemer in een relevante periode de bedongen arbeid had verricht toen hij in oktober 2014 weer uitviel. Met de gedeeltelijke vernietiging van de beslissing op bezwaar van 13 juli 2015 en de gedeeltelijke herroeping van het primaire besluit van 2 februari 2015 staat vast dat aan de werknemer vanaf 17 oktober 2014 WGA-uitkering betaald moet worden.

2. Verzoekster heeft gesteld dat zij als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van het Uwv schade heeft geleden tot een bedrag van € 157.204,54. Het schadebedrag heeft verzoekster als volgt opgebouwd en toegelicht:

a. een bedrag van € 60.051,- aan onverschuldigd doorbetaald loon aan de werknemer in de periode van 17 oktober 2014 tot 10 oktober 2016. Dit is een bedrag inclusief werkgeverslasten en er is rekening mee gehouden dat verzoekster, die eigenrisicodrager is voor de Wet WIA, voor de aan de werknemer te betalen WGA-uitkering een vergoeding van haar verzekeraar ontvangt;

b. een bedrag van € 32.500,- aan bij een vaststellingsovereenkomst met de werknemer overeengekomen transitievergoeding voor de beëindiging van het dienstverband. Die beëindiging kon ten gevolge van de onrechtmatige besluitvorming niet meer vóór 1 juli 2015 worden geëffectueerd. Op grond van het arbeidsrecht zoals dat tot die datum gold, was er in situaties als deze geen transitievergoeding verschuldigd;

c. een bedrag van € 23.504,38 aan extra loonkosten, vanwege de noodzakelijke dubbele bezetting van de functie van de werknemer in verband met een mogelijke nieuwe uitval van de werknemer;

d. een bedrag van € 13.957,- aan misgelopen voordeel, omdat bij een eerdere ontslagdatum van de werknemer een goedkopere arbeidskracht had kunnen worden ingezet;

e. een bedrag van € 27.192,16 aan overige gemaakte kosten (kosten van de bedrijfsarts, van de belangenbehartiger van Focus Verzuim Management, van een financieel adviseur, van

Strix Advocaten, van een arbeidsdeskundige en de kosten van Adrenna Advocaten voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst).

3. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om hem te veroordelen tot vergoeding van de door verzoekster geclaimde schade. Volgens het Uwv staat allereerst niet vast dat hij jegens verzoekster onrechtmatig heeft gehandeld, omdat het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar en het herroepen deel van het primaire besluit zijn gebaseerd op artikel 61 van de Wet WIA en slechts zien op de hoogte van uitbetaling van de WGA-uitkering. Met het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar en het herroepen deel van het primaire besluit was volgens het Uwv aan verzoekster geen verlengde loondoorbetalingsverplichting opgelegd. Er waren voor verzoekster geen belemmeringen om voor de werknemer een ontslagvergunning aan te vragen. Bovendien is het primaire besluit pas drie en een halve maand na de ziekmelding van werknemer op 17 oktober 2014 genomen. Daarbij heeft verzoekster werknemer steeds in dienst gehouden en tot de vaststellingsovereenkomst van 1 juli 2018 het volledige loon doorbetaald, terwijl op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tijdens ziekte aanspraak bestaat op 70% van het loon. Verzoekster heeft niet gesteld dat in het kader van een toepasselijke CAO een ander percentage voor het aan de werknemer te betalen loon gehanteerd had moeten worden. Het Uwv heeft er ook op gewezen dat het door verzoekster gestelde onverschuldigd betaalde loon in ieder geval niet meer kan bedragen dan het verschil tussen het loon waarop de werknemer van 7 oktober 2014 tot 10 oktober 2016 aanspraak zou hebben gehad en de door haar als eigenrisicodrager na te betalen WGA-uitkering. Mocht de werknemer vanaf

7 oktober 2014 nog werkzaamheden hebben verricht waaraan een reële loonwaarde kan worden toegekend, dan moet dat bedrag met het onverschuldigd betaald loon verrekend worden. Voor zover een bedrag aan onverschuldigd betaald loon overblijft, heeft verzoekster volgens het Uwv, gelet op haar plicht om de schade zoveel mogelijk te beperken, de mogelijkheid om dat van de werknemer terug te vorderen. Tot slot heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de overige door verzoekster geclaimde schadeposten niet in causaal verband staan met de onrechtmatige delen van zijn besluiten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

4.2.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het BW, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en dat vervolgens alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:446).

4.3.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een overheidslichaam dat een besluit neemt dat naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met een wettelijke bepaling, een onrechtmatige daad begaat jegens degene die door dat besluit wordt getroffen. Daarmee is de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BE9369, BE9370 en BE9388).

4.4.

De onrechtmatigheid van het deels herroepen besluit van 2 juli 2015, zoals gehandhaafd bij het deels vernietigde besluit van 13 juli 2015, is op grond van deze rechtspraak op zichzelf beschouwd een gegeven. De vraag die vervolgens ter beantwoording voorligt, is of tussen die besluiten enerzijds en de door verzoekster geclaimde schade anderzijds een oorzakelijk verband bestaat. Hierbij geldt als beginsel dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Dat beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (vergelijk met de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539).

4.5.

Verzoekster heeft met betrekking tot alle door haar opgevoerde schadeposten gesteld dat zij de werknemer, als in de besluiten van 2 februari 2015 en 13 juli 2015 niet zou zijn uitgegaan van een loondoorbetalingsverplichting, na de ingangsdatum van de WGA-uitkering niet in dienst zou hebben gehouden. Dat in dat geval al per die ingangsdatum ontslag van de werknemer zou zijn gevolgd, is op grond van de feiten en omstandigheden in deze zaak evenwel niet aannemelijk geworden. Hiertoe wordt allereerst overwogen dat het Uwv het herroepen primaire besluit drie en een halve maand na de ziekmelding van werknemer op

17 oktober 2014 heeft genomen en niet is gebleken dat verzoekster in die periode aanstalten heeft gemaakt om een procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gang te zetten. Belangrijker nog is dat verzoekster haar werknemer ook na oktober 2016, de maand waarin de door het Uwv ten onrechte veronderstelde loondoorbetalingsverplichting zou eindigen, nog geruime tijd, namelijk tot 1 juli 2018, in dienst heeft gehouden. Daarbij is steeds het volledige loon aan hem doorbetaald, terwijl verzoekster op grond van

artikel 7:629 van het BW bij het ontbreken van een verdergaande CAO-verplichting slechts gehouden was om tijdens de ziekte 70% van het loon door te betalen. Dat, zoals verzoekster heeft gesteld, de gang van zaken rondom de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst waarbij het dienstverband is geëindigd, en dan met name de lange periode die met die totstandkoming was gemoeid, zou zijn terug te voeren op de onrechtmatige besluitvorming door het Uwv, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

4.6.

Het dienstverband heeft, kortom, veel langer geduurd dan zou zijn voortgevloeid uit de door het Uwv veronderstelde loondoorbetalingsverplichting. De voortzetting van het dienstverband na 17 oktober 2014 moet daarmee eerst en vooral worden toegeschreven aan eigen keuzes van verzoekster in samenspraak met de werknemer. De schade die verzoekster als gevolg van die voortzetting stelt te hebben geleden staat daarmee niet in een zodanig verband met de besluiten van het Uwv dat zij het Uwv als een gevolg van die besluiten kan worden toegerekend.

5. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het verzoek van verzoekster om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en B.J. van de Griend en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2019.

(getekend) M. Greebe

(getekend) P.B. van Onzenoort

LO