Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
17/3597 AOW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor AOW als gehuwde aangemerkt. Voor NIOAW als ongehuwde aangemerkt. Het betreft verschillende wetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/116 met annotatie van M.W. Venderbos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3597 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2017, 16/8049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 8 januari 2019

Zitting heeft: J.L. Boxum als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: J. Smolders

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N. Saidi, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Bij besluit van 20 juli 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 november 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb appellant met ingang van 21 september 2016 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW-pensioen) voor een gehuwde toegekend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft hij recht op een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Het hoger beroep slaagt niet.

Niet in geschil is dat appellant zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als zijn

ex-echtgenote en dat uit hun relatie drie kinderen zijn geboren. Gelet hierop heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat uit artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW voortvloeit dat een gezamenlijke huishouding aanwezig wordt geacht. Dat de kinderen inmiddels meerderjarig zijn, is daarbij niet van belang. De gestelde omstandigheid dat sprake is van een commerciƫle relatie kan daaraan evenmin afdoen. Gelet op artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW heeft de Svb appellant daarom terecht als gehuwde aangemerkt.

De omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam per 5 november 2013 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) aan appellant had toegekend naar de norm voor een alleenstaande, en daarbij geen gezamenlijke huishouding tussen appellant en zijn ex-echtgenote had aangenomen, maakt niet dat de Svb gehouden was ook geen gezamenlijke huishouding aan te nemen. Dit is reeds niet het geval omdat de IOAW en de AOW verschillende wetten zijn en het besluit met betrekking tot het recht op

AOW-pensioen dient te worden genomen met inachtneming van de bepalingen uit de AOW en niet met de bepalingen uit de IOAW.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J. Smolders (getekend) J.L. Boxum

md