Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
17/1814 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanleiding in wat door appellant is aangevoerd om, anders dan de rechtbank, te oordelen dat het Uwv niet afdoende heeft gemotiveerd dat appellant over arbeidsvermogen beschikt. Voor het betoog van appellant dat zijn mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zijn overschat is geen medische onderbouwing gegeven. Zo bieden de gegevens van de behandelend sector geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de voor appellant benodigde begeleiding door het Uwv onjuist is ingeschat. Geen ruimte voor de door appellant voorgestane belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/265 met annotatie van Bogaard, E. van den
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1814 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
19 januari 2017, 16/1496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 juni 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Engwegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Appellant is vertegenwoordigd door mr. S.C. Leinders, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1997, heeft op 22 september 2014 een aanvraag om ondersteuning bij werk en inkomen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) aangevraagd. Deze aanvraag is door het Uwv afgewezen bij besluit van 10 februari 2015, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige.

1.2.

Op 9 juni 2015 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft hij gegevens van Mondriaan, Orbis Medisch Centrum en het Jongerenloket van het Onderwijs Diensten Centrum overgelegd. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 februari 2015 en de aanvraag bij besluit van 14 augustus 2015 afgewezen, omdat er geen nieuwe informatie is verstrekt die aanleiding geeft om het eerdere besluit te wijzigen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt en nieuwe gegevens van Mondriaan overgelegd. Bij besluit van 31 maart 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ter onderbouwing van zijn beroep medische gegevens van Zuyderland en Orbis Medisch Centrum overgelegd.

2.2.

In beroep heeft het Uwv alsnog inhoudelijk beoordeeld of appellant voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wajong 2015. Naar aanleiding van de bevindingen in rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wajong 2015, omdat hij over arbeidsvermogen beschikt.

2.3.

Onder toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het Uwv in beroep alsnog afdoende heeft gemotiveerd dat in het geval van appellant (nog) geen sprake is van een situatie dat hij duurzaam niet beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een
Wajong-uitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de afwijzende beslissing is gebaseerd op onvolledige en onjuiste medische gegevens. Gelet op informatie van de behandelend sector is sprake van ouder-kindrelatieproblematiek, angststoornissen, hechtingsstoornissen en van een dwangneurose. De GAF-score is bepaald op 45. Daarnaast is bij appellant inmiddels de ziekte van Crohn gediagnosticeerd. Met deze aandoeningen, stoornissen en gegevens is door het Uwv onvoldoende rekening gehouden. Door zijn beperkingen beschikt appellant niet over arbeidsvermogen. Appellant heeft zodanige kenmerken, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd hem te werk te stellen. Het is voor appellant in het kader van de Participatiewet (PW) onmogelijk deel te nemen aan werk- en jongerentrajecten, laat staan dat dit buiten de PW mogelijk is. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van appellant.

3.2.

Het Uwv heeft gevraagd de aangevallen uitspraak te willen bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beoordeling heeft gebaseerd op onvolledige medische informatie of dat hij daarbij door de behandelaars gestelde diagnoses heeft gemist. Deze verzekeringsarts had de beschikking over de dossiergegevens, waaronder de door appellant ingebrachte stukken van de behandelend sector, en heeft daarnaar ook verwezen in zijn rapporten.

4.2.

In wat door appellant is aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om, anders dan de rechtbank, te oordelen dat het Uwv niet afdoende heeft gemotiveerd dat appellant over arbeidsvermogen beschikt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn oordeelsvorming als uitgangspunt genomen dat bij appellant sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel, een aandachtstekortstoornis met hyperreactiviteit en een cannabisverslaving. Appellant heeft moeite met het richten van de aandacht, met structureren, omgaan met stress en andere mentale eisen. Daarnaast is appellant beperkt in het realiseren van een hoog handelingstempo, naast het omgaan met kritiek, het hanteren van conflicten en de omgang met onbekenden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om te veronderstellen dat appellant met deze aandoeningen niet tenminste één uur aaneengesloten of vier uur belastbaar zou zijn in arbeid. Daarnaast is sprake van basale werknemersvaardigheden, nu appellant eenvoudige instructies kan begrijpen, onthouden en opvolgen en hij in staat is afspraken met een werkgever na te komen. Daarmee kan appellant bijvoorbeeld de taken ‘schoonmaken hondenverblijven’ en ‘handmatig bestukken’ uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Voor het betoog van appellant dat zijn mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zijn overschat is geen medische onderbouwing gegeven. Zo bieden de gegevens van de behandelend sector geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de voor appellant benodigde begeleiding door het Uwv onjuist is ingeschat. Voor de stelling dat appellant al langere tijd last heeft van klachten die verband houden met de in december 2016 gediagnosticeerde ziekte van Crohn is ook geen steun te vinden in de beschikbare gegevens.

4.3.

Artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) ziet op het vaststellen van de resterende verdiencapaciteit in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit. Deze bepaling ziet niet op de vaststelling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a van het Schattingsbesluit en 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Aan de enkele, niet onderbouwde, stelling dat het voor appellant in het kader van de PW onmogelijk is deel te nemen aan werk- en jongerentrajecten, laat staan dat dit buiten de PW mogelijk is, komt ook geen betekenis toe. Bij de beoordeling of een betrokkene in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering is ten slotte geen ruimte voor de door appellant voorgestane belangenafweging.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en D. Hardonk-Prins en
M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M. Graveland

KS