Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
17/1878 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag is buiten behandeling gesteld. Het niet overleggen van informatie over een Engelse bankrekening. De hersteltermijn is niet onredelijk kort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1878 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2017, 16/6486 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 15 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M. Haring, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haring. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 21 juni 2016 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Hij heeft daarbij vermeld dat hij van 2006 tot 2012 in Engeland heeft gewoond en gewerkt en vervolgens vier jaar gedetineerd is geweest in Spanje. Het college heeft appellant bij brief van 21 juni 2016 uitgenodigd voor een gesprek op

29 juni 2016 met het verzoek nader genoemde stukken mee te nemen, waaronder alle afschriften van al zijn bank- en spaarrekeningen van de laatste drie maanden, ook die in het buitenland (Engeland), waarbij het college appellant er op heeft gewezen dat hij van zijn bankrekening in Engeland de bankafschriften of een bewijs van opheffing moest inleveren. Appellant heeft tijdens het gesprek op 29 juni 2016 onder meer geen afschriften of een bewijs van opheffing van zijn Engelse bankrekening verstrekt. Het college heeft appellant bij brief van 29 juni 2016 vervolgens een hersteltermijn gegeven tot en met 13 juli 2016 om, voor zover hier van belang, afschriften van alle buitenlandse betaalrekeningen en buitenlandse spaarrekeningen van 21 april tot en met 13 juli 2016 in te leveren. Dit geldt, aldus die brief, ook voor een rekening die appellant lange tijd niet meer gebruikt heeft, die geblokkeerd of opgeheven is of een rekening waarop appellant geen of een negatief saldo heeft. Naar aanleiding van het verzoek van appellant om hem extra tijd te geven, heeft het college bij brief van 13 juli 2016 een hersteltermijn tot en met uiterlijk woensdag 20 juli 2016 gegeven voor het overleggen van onder meer de afschriften van zijn buitenlandse bankrekeningen over de periode van 21 april 2016 tot en met 20 juli 2016. In de brieven van 29 juni 2016 en

13 juli 2016 heeft het college appellant erop gewezen dat het op tijd inleveren van de gevraagde gegevens buitenbehandelingstelling van de aanvraag voorkomt.

1.2.

In het ‘Overzicht notities’ van het college over contacten met appellant is op 20 juli 2016 geregistreerd dat appellant contact heeft gehad met een medewerker van Werk en inkomen van de gemeente Amsterdam aan de balie. De registratie vermeldt onder meer: “Klant had niet alle gevraagde stukken meegenomen. (…). Uitgelegd dat klant tot vandaag, woensdag 20 juli 2016 tot 17.00 u de tijd heeft om de gevraagde stukken in te leveren aan de balie. Als klant dit niet op tijd inlevert, uitgelegd dat zijn aanvraag wordt afgewezen

(buiten behandeling gesteld (...)”. Voorts is in het ‘Overzicht notities’ geregistreerd dat appellant op 27 juli 2016 en 1 en 10 augustus 2016 telefonisch en aan de balie contact heeft gehad met dezelfde en andere medewerkers van Werk en Inkomen. Deze registraties houden kort gezegd het volgende in. Appellant heeft kenbaar gemaakt dat hij de gevraagde bankgegevens van de Engelse bankrekening op 20 juli 2016 vóór 17.00 uur heeft ingeleverd. Deze bankgegevens zijn niet ontvangen.”

1.3.

Bij besluit van 1 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

23 september 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellant de gevraagde afschriften van zijn buitenlandse - lees:

Engelse - bankrekening niet (tijdig) heeft ingeleverd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2,

tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Niet in geschil is dat bankgegevens van de Engelse bankrekening noodzakelijk zijn om inzicht te krijgen in de financiële situatie van appellant en daarmee ook voor de beoordeling van zijn recht op bijstand.

4.3.

Appellant heeft, zoals ter zitting verduidelijkt, aangevoerd dat hij, nadat de betreffende medewerker (medewerker 1) hem op 20 juli 2016 erop had gewezen dat de door hem meegebrachte gegevens niet toereikend waren, in een internetcafé een online chatgesprek gevoerd met Nationwide, de Engelse bank waar hij een bankrekening had lopen. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij de geprinte tekst van deze chatsessie diezelfde dag tegelijk met het bewijs van opheffing van zijn rekening bij de Rabobank aan een andere medewerker heeft overgelegd. Omdat zijn stukken bij het gesprek met medewerker 1 eerder die dag niet volledig waren, heeft deze medewerker de stukken niet in ontvangst genomen. In de chatsessie met Nationwide is volgens appellant vermeld dat het saldo van zijn bankrekening bij deze bank op dat moment slechts acht Britse ponden bedroeg. Hiermee had het college voldoende informatie om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, zodat het college niet tot buitenbehandelingstelling heeft kunnen besluiten.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat appellant op 20 juli 2016 de geprinte versie van een chatsessie met Nationwide heeft overgelegd, heeft hij daarmee niet de gevraagde bankgegevens van zijn Engelse bankrekening verstrekt. In die chatsessie heeft Nationwide immers, naar appellant zelf stelt, niet meer dan alleen het op dat moment actuele banksaldo bekend gemaakt. Dat het college appellant naar aanleiding van een nieuwe aanvraag bijstand heeft verstrekt, terwijl appellant ook toen naar hij stelt niet de afschriften van zijn Engelse bankrekening had overgelegd maar slechts een “Statement of Account” van Nationwide van 27 juli 2016 waarin als tegoed een saldo van 8.43 Britse ponden is vermeld, maakt het voorgaande niet anders. De nieuwe aanvraag betreft een andere periode en een “Statement of Account” van Nationwide is bovendien een ander stuk dan een printversie van een chatsessie.

4.5.

Appellant voert verder aan dat het college hem, nadat hij te kennen had gegeven van mening te zijn dat hij alle gegevens had ingediend, in het kader van zorgvuldige besluitvorming, een extra termijn had moeten verlenen om de gevraagde gegevens in te leveren. Appellant wijst hierbij op zijn persoonlijke omstandigheden en op het feit dat hij tot een bijzondere doelgroep behoort. Hij heeft van 2006 tot 2012 in Engeland gewoond en gewerkt en is aansluitend voor de duur van vier jaar gedetineerd geweest in Spanje. Op

8 juni 2016 is appellant teruggekeerd naar Nederland, waar hij “beginnende dakloze” was. Daarbij komt dat er contact met een woningbouwvereniging was over een woning voor appellant.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1504) moet een hersteltermijn, als hier aan de orde, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens voor afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren. Nadat appellant zich op

21 juni 2016 had gemeld, heeft hij tot driemaal toe een termijn gekregen om de gevraagde bankafschriften te verstrekken, aanvankelijk tot 29 juni 2016, daarna tot 13 juli 2016 en tot slot tot 20 juli 2016. Niet valt in te zien dat de hersteltermijn, die in totaal ongeveer een maand bedroeg, zodanig kort was dat het voor appellant niet mogelijk was om tijdig, al dan niet digitaal over de gevraagde informatie van zijn Engelse bankrekening te beschikken. Zo niet, dan had het op zijn weg gelegen het college binnen de gegeven hersteltermijn om verlenging van de hersteltermijn te verzoeken. Het college heeft niet onzorgvuldig gehandeld door appellant niet nog een extra hersteltermijn te verlenen. De door appellant genoemde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel.

4.7.

Ook de beroepsgrond van appellant dat het college zijn aanvraag, gelet op het stadium waarin de aanvraag zich bevond, op 1 augustus 2016 niet meer buiten behandeling mocht stellen slaagt niet. Op 20 juli 2016, om 17.00 uur, was de hersteltermijn verstreken, zonder dat appellant de gevraagde bankgegevens van zijn Engelse bankrekening had verstrekt. Dat appellant nadien nog een aantal malen contact had opgenomen met medewerkers van

Werk en Inkomen doet er niet aan af dat op 1 augustus 2016 was voldaan aan de voorwaarden voor buitenbehandelingstelling.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2019.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) H. Achtot

md