Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
17/4655 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregelen. Tweemaal drie maanden aaneengesloten volledige bijstand ingehouden. Zorgvuldige, op persoon toegesneden gemaakte afweging ten aanzien van aangeboden traject. Aangeboden voorziening is concreet gemaakt. Appellant was verplicht gebruik te maken van het traject, waaraan hij niet heeft meegewerkt. Sprake van herhaalde recidive. Geen bijzondere omstandigheden om de toegepaste verlaging nader af te stemmen. De financiële situatie is niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/217
JWWB 2019/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4655 PW, 17/4658 PW

Datum uitspraak: 11 juni 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 22 mei 2017, 16/2733 en 16/3991 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het college een nadere reactie ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 19 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.H.A. Brauer, kantoorgenoot van mr. Dassen-Vranken. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.J.M. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 9 december 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Op appellant waren de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW van toepassing.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de mogelijkheid tot inschakeling in de arbeid heeft een Consulent Re-integratie van de gemeente Heerlen (consulent) op 7 januari 2016 en

28 januari 2016 gesprekken met appellant gevoerd. Tijdens laatstgenoemd gesprek heeft appellant onder meer te kennen gegeven dat hij zich heeft ingeschreven voor een opleiding fitness trainer niveau 2, dat de opleiding voornamelijk op zondag zal plaatsvinden en dat hij een stage zal moeten lopen voor twintig uur per week. Met appellant is afgesproken dat hij wordt aangemeld voor een Kortdurend Activering Traject (traject) bij

Arbeidstrainingscentrum [naam Werkmeester B.V.] te [vestigingsplaats] (De Werkmeester) en dat hij hieraan fulltime dient deel te nemen zolang de stage niet van start is gegaan.

1.3.

Op 5 februari 2016 heeft appellant een intakegesprek gehad bij De Werkmeester. Op

11 februari 2016 is appellant verschenen bij De Werkmeester en heeft hij een plan van aanpak ondertekend. Vervolgens is appellant om 12.00 uur gestart met de werkzaamheden. Na korte tijd heeft hij aan een werkbegeleider bij De Werkmeester (werkbegeleider) te kennen gegeven dat de werkzaamheden onder zijn niveau zijn en dat hij deze niet wil verrichten. Appellant heeft vervolgens de werkzaamheden gestaakt en De Werkmeester verlaten.

1.4.

Bij besluit van 19 februari 2016 heeft het college, onder verwijzing naar het onder 1.2 genoemde gesprek van 28 januari 2016, de nadere concretisering van de arbeidsverplichtingen van appellant, waaronder de verplichting van appellant om deel te nemen aan het traject bij De Werkmeester, schriftelijk vastgelegd.

1.5.

Bij besluit van 24 februari 2016 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang 1 maart 2016 met 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand verlaagd (eerste maatregel).

1.6.

Op 3 maart 2016 heeft appellant naar aanleiding van de eerste maatregel telefonisch contact opgenomen met de consulent. Deze heeft aan appellant onder meer te kennen gegeven dat hij (nog steeds) op het traject bij De Werkmeester diende te verschijnen. Appellant is vervolgens van 17 maart 2016 tot en met 24 maart 2016 weer verschenen. Op 25 maart 2016 heeft appellant een knieoperatie ondergaan. Met appellant is afgesproken dat hij op

11 april 2016 het werk bij De Werkmeester diende te hervatten. Appellant is op 11 april 2016 niet verschenen.

1.7.

Bij besluit van 23 maart 2016 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang 1 april 2016 met 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden verlaagd (tweede maatregel).

1.8.

Appellant heeft bij brief van 26 maart 2016 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van

24 februari 2016 en 23 maart 2016. Bij deze brief heeft appellant tevens verzocht om ontheffing van de arbeidsverplichtingen, waaronder de werkzaamheden bij De Werkmeester, in verband met zijn opleiding (verzoek tot ontheffing).

1.9.

Appellant is op 7 juni 2016 weer verschenen op het traject bij De Werkmeester, maar heeft na korte tijd het gebouw op last van de werkbegeleider verlaten.

1.10.

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft het college de bijstand bij wijze van maatregel met ingang van 1 juli 2016 met 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden verlaagd (derde maatregel).

1.11.

Bij besluit van 19 juli 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 24 februari 2016 en 23 maart 2016 ongegrond verklaard en het verzoek tot ontheffing afgewezen. Aan bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de eerste maatregel, heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door vanaf 11 februari 2016 niet aan het traject bij De Werkmeester deel te nemen, geen gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW. Aan bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de tweede maatregel, heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door ook van 4 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 niet aan het traject bij De Werkmeester deel te nemen, opnieuw geen gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW. Omdat appellant na de eerste maatregel de werkzaamheden bij De Werkmeester niet heeft hervat, is sprake van recidive. Voorts is niet gebleken van dringende redenen. Aan bestreden besluit 1, voor zover dat betreft de afwijzing van het verzoek om ontheffing, heeft het college ten grondslag gelegd dat het niet mogelijk is om appellant vanwege een opleiding of stage vrij te stellen van de arbeidsverplichtingen.

1.12.

Bij besluit van 4 november 2016 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2016 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door op 7 juni 2016 en 8 juni 2016 niet deel te nemen aan het traject bij De Werkmeester, geen gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW. Omdat appellant na de eerste twee maatregelen de werkzaamheden bij De Werkmeester niet heeft hervat, is sprake van herhaalde recidive. Voorts is niet gebleken van dringende redenen.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In de hoger beroepen heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichting: het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.1.2.

Op grond van het vijfde lid verlaagt het college, in het geval van het niet nakomen van een verplichting bedoeld in het vierde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan tevens bepalen dat het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend.

4.1.3.

Ingevolge het zesde lid verlaagt het college, in afwijking van het vijfde lid, indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het vijfde lid toepassing heeft gevonden, de bijstand met 100% voor een bij de verordening vastgestelde periode, die in ieder geval langer is dan de op grond van het vijfde lid vastgestelde periode van verlaging en ten hoogste drie maanden bedraagt.

4.1.4.

Ingevolge het zevende lid verlaagt het college, indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het zesde lid toepassing heeft gevonden, in afwijking van het vijfde en zesde lid, de bijstand met 100% voor een periode van drie maanden.

4.1.5.

Op grond van het negende lid ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.6.

Op grond van het tiende lid stemt het college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

4.1.7.

Op grond van het elfde lid kan het college op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de verlaging herzien, zodra uit de houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in het vierde lid, nakomt (inkeerregeling).

4.2.1.

Aan het vijfde en zesde lid van artikel 18 van de PW is, ten tijde hier van belang, toepassing gegeven bij de Afstemmingsverordening 2015 van de gemeente Heerlen, die op

1 januari 2015 in werking is getreden en die per 1 maart 2016 is ingetrokken en de Afstemmingsverordening 2016 van de gemeente Heerlen die per 1 maart 2016 in werking is getreden (Afstemmingsverordening).

4.2.2.

Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Afstemmingsverordening wordt bij niet nakoming van artikel 18, vierde lid, van de PW een maatregel opgelegd voor de duur van één maand.

4.2.3.

Op grond van het eerste lid, aanhef en onder b, van dit artikel wordt in geval van een herhaalde gedraging als bedoeld in artikel 18, zesde lid, van de PW een maatregel opgelegd voor de duur van twee maanden.

4.2.4.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het college de gehele maatregel met de bijstand verrekent, gedurende ten hoogste drie maanden en dat de verrekening daarna 50% van de bijstandsnorm beloopt.

4.2.5.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Afstemmingsverordening wordt de duur van de op te leggen maatregel verdubbeld als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na het begaan van een gedraging genoemd in de artikelen 4, 5, 8, 9, 10 van deze verordening opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging of een maatregel van dezelfde categorie.

4.2.6.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt de hoogte van de maatregel en de duur van de maatregel individueel vastgesteld, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na het begaan van een tweede gedraging zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde gedraging of een gedraging van dezelfde categorie.

4.3.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraken ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 19 februari 2016 in rechte onaantastbaar is geworden en dat de rechtbank om die reden zijn beroepsgrond over de passendheid van het traject bij De Werkmeester in beide uitspraken ten onrechte niet heeft besproken. Appellant stelt dat het bezwaarschrift van 26 maart 2016 ook moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 19 februari 2016. Deze beroepsgrond slaagt.

4.3.2.

Het verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen van appellant had onder meer betrekking op de bij besluit van 19 februari 2016 nader geconcretiseerde verplichting voor appellant om deel te nemen aan het traject bij De Werkmeester. Dit verzoek is ook gedaan vóór afloop van de termijn waarbinnen tegen dat besluit bezwaar kon worden gemaakt. Gelet hierop, heeft het college ten onrechte dit verzoek niet aangemerkt als een (tijdig) bezwaarschrift tegen het besluit van 19 februari 2016. De rechtbank heeft dit ten onrechte bij de aangevallen uitspraken niet onderkend. Op grond van de navolgende overwegingen bestaat geen aanleiding om de aangevallen uitspraken om die reden te vernietigen.

4.3.3.

In bestreden besluit 1 heeft het college met betrekking tot het verzoek om ontheffing overwogen dat appellant in beginsel beschikbaar dient te zijn voor de arbeidsmarkt en dat dit betekent dat het niet mogelijk is om van de arbeidsverplichtingen te worden vrijgesteld vanwege een opleiding of stage. Daarbij heeft het college erop gewezen dat het primaire doel is om uit te stromen uit de bijstand, richting algemeen geaccepteerde arbeid. Het college is echter niet ingegaan op het, tijdens de hoorzitting door appellant nog nader toegelichte, bezwaar over de passendheid van het traject bij De Werkmeester. Hieruit volgt dat bestreden besluit 1 in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voldoende deugdelijk is gemotiveerd.

4.3.4.

Ter zitting heeft het college zich, onder verwijzing naar de doelstelling van het aangeboden traject en de persoonlijke situatie van appellant, op het standpunt gesteld dat sprake was van een voor hem passend traject.

4.3.5.

Appellant bestrijdt dat het college, gelet op zijn vooropleiding, relevante werkervaring en huidige opleiding, maatwerk heeft geleverd. Appellant stelt dat het traject bij De Werkmeester, gelet op de aard van de te verrichten werkzaamheden (het inpakken van cup cakes), ver beneden zijn niveau was en deelname aan het traject zijn kansen op de arbeidsmarkt niet vergrootte. Bovendien werd het appellant pas bij aanvang van het traject duidelijk waaruit de werkzaamheden bestonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331) is het niet aan de betrokkene, maar aan het bijstandverlenend orgaan om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de betrokkene is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel, arbeidsinschakeling, te bereiken. Wel is vereist dat het bijstandverlenend orgaan maatwerk levert en dat de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging. Het bijstandverlenend orgaan moet voorts aan de betrokkene kenbaar maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en omstandigheden in het individuele geval, is aangewezen en welk tijdpad wordt gevolgd.

4.3.7.

Uit het plan van aanpak blijkt dat de doelstelling van het traject bij De Werkmeester is op korte termijn te achterhalen welke mogelijke oorzaken er zijn voor het niet vinden van betaald werk en het na drie maanden deelname formuleren van een advies. Dat advies kan onder andere luiden het inzetten van een vervolgtraject gericht op het vinden van een reguliere baan, het volgen van een opleiding, dagbesteding of vrijwilligerswerk als maximaal haalbaar, of doorverwijzing naar overige expertises. Gedurende het traject wordt gevolgd of de betrokkene de afspraken nakomt, op tijd op het werk verschijnt, opdrachten uitvoert, samenwerkt met collega’s, leiding accepteert en werkritme kan vasthouden. Daarnaast wordt aan betrokkene de mogelijkheid geboden intensief te zoeken naar vacatures, hierop te solliciteren en hierin te worden ondersteund.

4.3.8.

Gelet op de onder 4.3.7 weergegeven inhoud van het plan van aanpak en anders dan appellant heeft betoogd, heeft het college een zorgvuldige, op de persoon van appellant toegesneden afweging gemaakt alvorens hem het onderhavige traject aan te bieden. Het college heeft juist door het aangeboden traject appellant willen begeleiden naar betaald werk dat voor hem, gelet op zijn persoon en zijn situatie passend zou kunnen zijn. Daarbij heeft het college in het feit dat appellant zelf zonder resultaat vele sollicitaties heeft verricht redelijkerwijs aanleiding kunnen zien om appellant door middel van het aangeboden traject te begeleiden bij het vinden van werk. Van appellant kon worden verlangd dat hij aan deze voorziening zou deelnemen, ook als daarbij sprake zou zijn van werkzaamheden op een lager niveau dan de eerder door hem gevolgde opleidingen. Daarbij is ook van belang dat, zoals het college onder verwijzing naar de gesprekken van 7 januari 2016 en 28 januari 2016 in het verweerschrift in beroep nader heeft toegelicht, appellant een jongeman was van 28 jaar oud, met meerdere afgeronde opleidingen en werkervaring, wat de vraag opriep waarom hij er niet in slaagde om zelf betaald werk te vinden.

4.3.9.

Het college heeft, gelet op de onder 4.3.7 weergegeven inhoud van het plan van aanpak, tevens aan appellant kenbaar gemaakt waaruit de voorziening concreet zou bestaan, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en de omstandigheden van appellant was aangewezen en welk tijdpad zou worden gevolgd. Dat appellant bij aanvang van het traject pas bekend werd met de precieze aard van de te verrichten werkzaamheden, doet hieraan niet af. Hierbij is van belang dat het college aan appellant kenbaar heeft gemaakt rekening te willen houden met het feit dat appellant een opleiding volgde van één dag per week en daarvoor op termijn een stage moest gaan lopen. Anders dan appellant heeft betoogd, zijn in de stukken geen aanknopingspunten te vinden voor zijn stelling dat hij wegens zijn persoon niet geschikt zou zijn voor het traject.

4.3.10.

Uit 4.3.6 tot en met 4.3.9 volgt dat appellant verplicht was om gebruik te maken van het traject bij De Werkmeester.

4.3.11.

Uit 4.3.10 volgt dat het onder 4.3.2 geconstateerde gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde uitkomst zijn genomen.

4.4.1.

Niet in geschil is dat het traject bij De Werkmeester een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is. Voorts is niet geschil dat, waar het gaat om bestreden besluit 1, appellant in de periode van 11 februari 2016 tot en met 18 februari 2016 en in de periode van 4 maart 2016 tot en met 16 maart 2016 niet heeft deelgenomen aan het traject bij De Werkmeester. Dat betekent dat appellant de verplichting om gebruik te maken van een aangeboden voorziening tot twee maal toe niet is nagekomen. Op grond van de hiervoor onder 4.1.1 tot en met 4.1.3, 4.2.2 en 4.2.3 vermelde bepalingen leiden deze gedragingen in beginsel tot een verlaging van de bijstand van 100% gedurende één maand en tot een verlaging van de bijstand van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

4.4.2.

Ter zitting heeft het college desgevraagd bevestigd dat aan bestreden besluit 2 een incident ten grondslag ligt dat heeft plaatsgevonden op 7 juni 2016. Uit de beschikbare gegevens, waaronder de verklaring van de werkbegeleider van 7 juni 2016, nadien bevestigd bij diens verklaring van 29 augustus 2017, heeft het college afgeleid dat appellant op

7 juni 2016 een negatieve houding toonde tegenover de werkbegeleider en medekandidaten in de groep en dat hij niet wilde meewerken aan het traject bij De Werkmeester. Zo heeft appellant bij die gelegenheid de werkbegeleider uitgescholden voor “mongool”, hem “dom” genoemd en heeft hij ook medekandidaten in de groep verbaal aangevallen door onder meer te zeggen dat hij niet zo stom was als de andere kandidaten en niet van plan was om net als zij een idioot magazijnbaantje te nemen. Appellant is meerdere keren verzocht om met dit gedrag te stoppen, maar hij gaf hier geen gehoor aan. Appellant en een medekandidaat, die boos was geworden, begonnen daarop elkaar met fysiek geweld te bedreigen. Appellant is toen duidelijk gemaakt dat dit ontoelaatbaar gedrag is en gesommeerd De Werkmeester te verlaten.

4.4.3.

Appellant heeft desgevraagd ter zitting erkend dat hij op 7 juni 2016 door de werkbegeleider is weggestuurd en dat hij mogelijk zich daaraan voorafgaand in de onder 4.4.2 weergegeven bewoordingen heeft uitgelaten. Uit de verklaring van de werkbegeleider is af te leiden dat zijn gesprek met appellant en daarna ook de situatie in de groep met appellant en een medekandidaat door het gedrag van appellant is geëscaleerd. Dat betekent dat appellant zich zodanig heeft gedragen dat handhaving van hem in de groep niet langer mogelijk was. Niet gesteld of gebleken is dat appellant na afloop van voormeld incident de werkzaamheden bij De Werkmeester alsnog wilde voortzetten. Gelet op het vorenstaande is appellant voor de derde maal binnen twaalf maanden de verplichting om gebruik te maken van een aangeboden voorziening niet nagekomen. Op grond van de hiervoor onder 4.1.1 tot en met 4.1.4 vermelde bepalingen leidt deze gedraging in beginsel tot een verlaging van de bijstand van 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.

4.4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat bij de tweede en derde maatregel geen sprake is van (herhaalde) recidive. Hij is op 17 maart 2016 wel verschenen op het traject bij De Werkmeester. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit wat onder 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen, volgt dat appellant eerst tot tweemaal en later tot driemaal toe geen gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening. Dit betekent dat sprake is van herhaalde recidive. Dat appellant op 17 maart 2016 wel is verschenen op het traject bij De Werkmeester, kan hieraan niet afdoen.

4.5.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat het college van het opleggen van alle drie de maatregelen had moeten afzien, omdat hem geen verwijt treft. De rechtbank heeft de bewijslast hiervoor ten onrechte bij hem gelegd. Voorts is hij wegens zijn medische beperkingen niet in staat om deel te nemen aan het traject bij De Werkmeester. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.5.2.

De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat appellant geen enkel verwijt treft, rust op appellant. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van artikel 18, negende lid, van de PW.

4.5.3.

Appellant is in de op hem rustende bewijslast niet geslaagd. Appellant heeft ook met het in hoger beroep overgelegde “Verslag psychodiagnostisch onderzoek” van november 2016 - december 2016 niet aannemelijk gemaakt dat hem geen enkel verwijt treft. Uit dit verslag, dat van na de hier van belang zijnde periode(n) dateert, blijkt niet dat appellant als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat was om deel te nemen aan het traject bij De Werkmeester. Ook overigens heeft appellant niet onderbouwd waarom hij daartoe niet in staat was.

4.6.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college voorafgaand aan het opleggen van alle drie maatregelen onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de dringende redenen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Daarbij heeft appellant er op gewezen dat hij destijds solliciteerde, een opleiding volgde en een operatie had ondergaan, en dat hij als gevolg van geldproblemen en stress zijn examen niet had gehaald. Voorts heeft het college, gelet op artikel 12, tweede lid, van de Afstemmingsverordening, bij de derde maatregel in strijd met het evenredigheidsbeginsel gehandeld. Daarbij heeft appellant er op gewezen dat het college drie maatregelen heeft opgelegd van 100% met een totale duur van zes maanden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.6.2.

Appellant heeft met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden een beroep gedaan op dringende redenen gelet op bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW. Het door appellant genoemde artikel 12, tweede lid, van de Afstemmingsverordening is niet van toepassing, nu dit niet ziet op gedragingen genoemd in artikel 7 van deze verordening en dus niet ziet op het niet nakomen van een geüniformeerde verplichting.

4.6.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 12 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3672) volgt uit de wetsgeschiedenis van artikel 18, tiende lid, van de PW dat de invulling van het begrip dringende redenen gelet op bijzondere omstandigheden niet is beperkt tot de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel heeft voor de betrokkene gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Deze invulling is ruimer en omvat mede een beoordeling van de omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van betrokkene of het gezin. Dit betekent dat het begrip dringende redenen gelet op bijzondere omstandigheden in overeenstemming met de wetsgeschiedenis anders en ruimer moet worden opgevat dan het begrip dringende redenen zoals tot uitdrukking komt in de vaste rechtspraak over toepassing van bijvoorbeeld artikel 18a, zevende lid, en artikel 58, achtste lid, van de PW. Daarbij heeft het college, anders dan bij toepassing van de zojuist genoemde bepalingen, beoordelingsvrijheid ten aanzien van de vraag of van dringende redenen gelet op bijzondere omstandigheden sprake is.

4.6.4.

In de bestreden besluiten heeft het college overwogen dat niet is gebleken van dringende redenen. Het college heeft zich bij de beoordeling van de dringende redenen in de bestreden besluiten onvoldoende rekenschap gegeven van het onder 4.6.3 opgenomen toetsingskader. De rechtbank heeft dit ten onrechte bij de aangevallen uitspraken niet onderkend.

4.6.5.

Het college heeft in hoger beroep op verzoek van de Raad zijn standpunt over het beroep op dringende redenen van appellant toegelicht. Het college acht geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel nu appellant structureel heeft geweigerd om deel te nemen aan het traject bij De Werkmeester. Appellant heeft daarbij steeds volhard in zijn weigerachtige houding en heeft geen gedragsverandering laten zien. Voorts heeft het college opgemerkt dat het feit dat de drie maatregelen tot gevolg hadden dat de uitkering van appellant gedurende tweemaal drie maanden aaneengesloten volledig is ingehouden geen bijzondere omstandigheid oplevert, omdat dit een rechtstreeks gevolg is van de toepassing van artikel 18, vijfde tot en met achtste lid, van de PW. Verder heeft appellant niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de drie maatregelen ernstige financiële consequenties tot gevolg hebben gehad. Daarbij heeft het college gewezen op het feit dat appellant op 12 oktober 2016 een auto van € 4.000,- heeft gekocht (deels van geleend geld), wat niet past bij een zeer nijpende (financiële) situatie. De overige door appellant gestelde omstandigheden (solliciteren, opleiding volgen, ondergaan van knieoperatie, niet behalen examen door geldproblemen en stress) leveren evenmin bijzondere omstandigheden op. Er was volgens het college zelfs een contra-indicatie voor afstemming, omdat door de verkoop door appellant van spullen en het lenen van geld van zijn vader is gebleken dat appellant beschikte over mogelijkheden om middelen te verwerven.

4.6.6.

In zijn nadere toelichting in hoger beroep, zoals weergegeven in 4.6.5, heeft het college zich alsnog rekenschap gegeven van de in de rechtspraak neergelegde vereisten. Het college is met deze nadere motivering van de bestreden besluiten de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gegaan. Hierbij is in aanmerking genomen dat het college bij de opgelegde maatregelen de bijstand in feite met 100% gedurende tweemaal drie maanden aaneengesloten heeft verlaagd. Voorts is hierbij in aanmerking genomen dat appellant zijn financiële situatie in hoger beroep weliswaar heeft toegelicht, maar dat hij deze op geen enkele wijze met financiële gegevens heeft onderbouwd. Aangezien het college pas in hoger beroep de bestreden besluiten op dit punt van een deugdelijke motivering heeft voorzien en aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld, bestaat aanleiding om ook dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Immers, ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zouden besluiten met dezelfde uitkomst zijn genomen.

4.7.1.

Appellant heeft met betrekking tot de tweede maatregel aangevoerd dat hij een beroep op de inkeerregeling heeft gedaan, als bedoeld in artikel 18, elfde lid, van de PW. Gelet op het rapport van 23 maart 2016 heeft college ten onrechte besloten om de tweede maatregel op te leggen, omdat appellant in de maand maart 2016 al was verschenen op het traject bij De Werkmeester en hij daarbij een verzoek om herziening van de tweede maatregel heeft gedaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.7.2.

Zo appellant al een verzoek om herziening van de tweede maatregel als bedoeld in artikel 18, elfde lid, van de PW zou hebben gedaan, dan blijkt uit het enkele feit dat appellant eerst per 17 maart 2016 zijn werkzaamheden bij De Werkmeester heeft hervat op geen enkele wijze, laat staan ondubbelzinnig, dat en met ingang van welke datum appellant zijn verplichtingen is gaan nakomen. Onder die omstandigheden kon van het college in redelijkheid niet worden verlangd om bij bestreden besluit 1 toepassing te geven aan de inkeerregeling.

4.8.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college de maatregelen ten onrechte over een periode van zes maanden met de bijstand heeft verrekend. Gelet op artikel 7, tweede lid, van de Afstemmingsverordening kan een verrekening van de maatregelen met de bijstand slechts gedurende ten hoogste drie maanden plaatsvinden en beloopt de verrekening daarna 50% van de bijstandsnorm. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.8.2.

Zoals het college ter zitting terecht heeft gesteld zijn de maatregelen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Afstemmingsverordening, met de bijstand verrekend. Hierbij heeft het college er terecht op gewezen dat het hier gaat om meerdere maatregelen en, voorts, dat deze maatregelen gedurende niet meer dan een periode van drie maanden aaneengesloten met de bijstand zijn verrekend. Van een verrekening over een aaneengesloten periode van zes maanden is dus geen sprake.

4.9.

Uit 4.3.1 tot en met 4.8.2 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, met verbetering van gronden, moeten worden bevestigd.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 47,- aan reiskosten in hoger beroep en op € 1.536,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.583,-. Geen aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep, omdat de gemachtigde van appellant in beroep, [naam A] (Hulpdienst) te [naam A], de rechtsbijstand niet beroepsmatig heeft verleend. Geen sprake is van het verlenen van rechtsbijstand dat een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening van de betreffende gemachtigde.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1.583,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en E.C.R. Schut en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) E. Stumpel

lh