Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
18-1832 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2019:3486. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2019:3485, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1573
ABkort 2019/348
USZ 2019/222
JB 2019/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1832 AW, 18/1833 AW

Datum uitspraak: 23 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

20 februari 2018, 17/1492 (aangevallen uitspraak 1) en 17/2950 (aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Duitsland (appellante)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. F.A.J.M. Peeters, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2019. Appellante is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.W. Top.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in dienst van [naam werkgever] in de functie van [naam functie] . Zij lijdt aan een chronische neurologische aandoening (MS). Op 29 februari 2016 heeft appellante zich, aansluitend aan de beëindiging van haar bevallingsverlof, ziek gemeld.

Dienstopdracht

1.2.

Op 2 maart 2016 is appellante door de bedrijfsarts op een spreekuur gezien. Blijkens de rapportage van deze arts van dezelfde datum heeft appellante aangegeven toegenomen klachten te hebben en energetisch beperkt te zijn, waardoor zij elke dag huishoudelijke hulp heeft. De bedrijfsarts heeft geadviseerd herstel af te wachten, maar hij vindt het ook belangrijk dat appellante binding met het werk houdt. Te overwegen is periodiek contact op de werkplek. Verder moet het mogelijk zijn, bijvoorbeeld een half uur tot een uur per dag, vanuit huis te starten met aangepaste werkzaamheden (zonder tijdsdruk, beperkte complexiteit), bijvoorbeeld het lezen en beantwoorden van mail.

1.3.

Op 14 april 2016 heeft de bedrijfsarts een probleemanalyse opgesteld. Daarin is vermeld dat bij appellante op dat moment sprake was van energetische beperkingen en secundair hieraan beperkingen in het persoonlijk functioneren (verminderde concentratie, snelheid van handelen etc.). Het advies van de bedrijfsarts was: verder herstellen en per 2 mei 2016 weer geleidelijk met aangepaste werkzaamheden starten (rustig inwerken, zonder tijds- en tempodruk), bijvoorbeeld met twee keer drie uur per week, deze uren verdeeld over de week. In deze analyse is verder vermeld dat de werkgever voorlopig bereid is om de taxi die appellante brengt te vergoeden, zodat reizen haar minder energie kost. Voorgesteld werd de inzet elke week te evalueren en de inzet tijdscontingent uit te breiden. Verder is vermeld dat appellante erover nadenkt of zij per 2 mei 2016 wel kan/wil werken en dat zij haar leidinggevende donderdag 14 april 2016 zal laten weten of zij een second opinion bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) gaat aanvragen. De bedrijfsarts heeft verder vermeld dat appellante te veel met haar ziekte en de beperkingen bezig is en onvoldoende openstaat voor wat zij wel weer kan. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat appellante wel benutbare mogelijkheden heeft en dat het einddoel van de re-integratie werkhervatting in de eigen functie is.

1.4.

Op 25 april 2016 heeft appellante over haar arbeids(on)geschiktheid een deskundigenoordeel aangevraagd bij het Uwv. Bij brief van 11 mei 2016 heeft het Uwv aan appellante en de staatssecretaris meegedeeld dat in deze situatie geen deskundigenoordeel kan worden gegeven, nu het Uwv heeft vastgesteld dat ten aanzien van de arbeids(on)geschiktheid van appellante geen sprake is van een geschil tussen appellante en haar werkgever.

1.5.

Appellante is op 2 mei 2016 op haar werk verschenen en heeft aangepaste werkzaamheden verricht voor de duur van drie uur. Na de gewerkte uren op die dag heeft appellante zich ziek gemeld voor de aangepaste werkzaamheden. Deze ziekmelding is niet geaccepteerd door haar leidinggevende. Daarna is appellante niet verschenen op het werk.

1.6.

Op 13 mei 2016 heeft appellante een deskundigenoordeel aan het Uwv gevraagd met betrekking tot de vraag of het werk dat zij per 2 mei 2016 moest verrichten voor haar passend is.

1.7.

Bij besluit van 20 mei 2016 heeft de staatssecretaris appellante opgedragen om op maandag 23 mei 2016 haar werkzaamheden in het kader van haar re-integratie te hervatten. Zij diende zich op 23 mei 2016 om 09.30 uur op het werk te melden.

1.8.

Appellante heeft op 23 mei 2016 een e-mail gestuurd naar haar werk dat zij niet in staat is om te werken. Zij is op 24 mei 2016 op het werk verschenen.

1.9.

Bij brief van 10 juni 2016 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de dienstopdracht van 20 mei 2016. In dit bezwaar heeft zij gewezen op twee brieven van haar huisarts in Duitsland, waarin hij heeft vastgesteld dat zij per 2 mei 2016 (tot voorlopig 16 mei 2016) respectievelijk 18 mei 2016 (tot voorlopig 3 juni 2016) arbeidsongeschikt is, alsmede op een brief van de behandelend neuroloog van 12 april 2016.

1.10.

Het Uwv heeft in een rapportage van 10 juni 2016 geconcludeerd dat er geen sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en dat appellante medisch in staat werd geacht twee keer drie uur per week zeer lichte/aangepaste arbeid te verrichten vanaf 2 mei 2016. De door de werkgever aangeboden arbeid is volgens het Uwv passend.

1.11.

Bij besluit van 17 januari 2017 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen de dienstopdracht van 20 mei 2016 ongegrond verklaard.

1.12.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Verlof

2.1.

Tijdens de periode van re-integratie heeft appellante haar leidinggevende bij

e-mailbericht van 7 juni 2016 verzocht om van 4 juli 2016 tot en met 17 juli 2016 vakantieverlof op te mogen nemen. Hierbij is vermeld dat deze vakantie al begin 2016 was geboekt.

2.2.

Bij e-mailbericht van 13 juni 2016 heeft appellante aan haar leidinggevende meegedeeld dat zij zeer ziek is en dat het aan haar door de werkgever aangeboden vervoer per taxi om naar haar werk te gaan (voorlopig) geen uitkomst is.

2.3.

Op 16 juni 2016 heeft appellante met haar leidinggevende een gesprek gehad over onder meer haar geplande vakantieverlof in juli 2016. Appellante heeft gezegd dat zij en haar echtgenoot met de auto naar Kroatië willen gaan. De leidinggevende heeft in dit gesprek zijn twijfels uitgesproken of de autovakantie in het belang van de re-integratie van appellante is en heeft op het e-mailbericht van appellante van 13 juni 2016 gewezen, waarin zij heeft gesteld dat zij niet met taxivervoer naar het werk kan komen omdat haar ziektebeeld daarvoor te grimmig is. De leidinggevende heeft aangegeven dat zij een en ander op 27 juni 2016 met de bedrijfsarts moest bespreken en heeft het verzoek van appellante om op een eerdere datum met een andere bedrijfsarts te mogen spreken afgewezen, met als reden dat de huidige bedrijfsarts appellante en haar dossier kent.

2.4.

Op 27 juni 2016 is appellante door de bedrijfsarts gezien. De bedrijfsarts heeft in de rapportage onder meer het volgende vermeld:

“(…) Helaas heeft verdere tijdscontingente urenuitbreiding niet plaatsgevonden. Er is regelmatig dispuut geweest tussen leidinggevende/bedrijfsarts met [Appellante] . Ca. 1 maand geleden is [Appellante] verwezen naar [naam revalidatiecentrum] Zij is met spoed gezien. Een snelle en adequate behandeling wordt door alle partijen als positief gezien. Helaas moet ik tijdens het spreekuur van maandag 27 juni 2016 vaststellen, dat het behandelingsprogramma wordt onderbroken omdat [Appellante] van 1 juli-16 juli a.s. op vakantie wil naar Kroatië. Zij maakt de lange reis per auto. De vakantie stond al geruime tijd vast. Dit wordt door mij als bedrijfsarts opgevat als weinig adequaat herstelgedrag. Spijtig is dat zij eigen belangen voorop stelt en de belangen van de organisatie ondergeschikt maakt.

Geadviseerd wordt om de ureninzet straks weer geleidelijk verder uit te breiden bijvoorbeeld naar 2x 4 uur of 3x 3 uur per week. Het is belangrijk dat zij voldoende tijd krijgt (2 dagdelen) voor het behandeltraject in het [naam revalidatiecentrum].”

2.5.

Op 28 juni 2016 heeft de bedrijfsarts contact opgenomen met een revalidatiearts van [naam revalidatiecentrum]. Uit de door de bedrijfsarts gemaakte notitie van dat contact blijkt dat de revalidatiearts appellante toestemming heeft gegeven op vakantie te gaan en dat het revalidatieprogramma met twee weken kan worden opgeschoven.

2.6.

Bij besluit van 30 juni 2016 heeft de staatssecretaris, onder verwijzing naar de rapportage van de bedrijfsarts van 27 juni 2016, het verzoek van appellante om tijdens de re-integratie met vakantieverlof naar Kroatië met de auto te gaan afgewezen. De staatssecretaris acht het onwenselijk dat appellante door haar vakantie het ingezette re-integratietraject onderbreekt en hij is van mening dat appellante door het ondernemen van een lange autoreis van en naar haar vakantieadres haar herstel en dus haar re-integratie mogelijk in gevaar brengt.

2.7.

Bij e-mailbericht van 7 juli 2016 heeft appellante aan de bedrijfsarts een brief van haar Duitse huisarts van 30 juni 2016 en een brief van de neuroloog van 30 juni 2016 gestuurd en verzocht om een reactie, aangezien de vakantie al is geboekt. Bij e-mailbericht van 7 juli 2016 heeft de bedrijfsarts appellante meegedeeld dat zij nu met nieuwe informatie van neuroloog en huisarts kwam, die de bedrijfsarts nog niet eerder had gezien, en dat zij deze brieven aan haar leidinggevende diende over te leggen omdat hij degene is die over het toekennen van vakantie gaat. De leidinggevende heeft de weigering om aan appellante verlof te verlenen gehandhaafd.

2.8.

Bij besluit van 17 maart 2017 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen de weigering aan appellante vakantieverlof te verlenen ongegrond verklaard.

2.9.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

In aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat appellante de dienstopdracht heeft uitgevoerd, er niet aan in de weg staat om de rechtmatigheid van het bestreden besluit, en daarmee van de dienstopdracht, te toetsen. Er is voldoende procesbelang om appellante in haar beroep te ontvangen. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris de dienstopdracht heeft gebaseerd op het advies van de bedrijfsarts van

14 april 2016. De bedrijfsarts was bij het uitbrengen van dit advies bekend met de gezondheidssituatie van appellante en heeft haar gezien op een spreekuur op 2 maart 2016. Ook heeft hij kennis genomen van de brief van de Duitse huisarts van appellante van

2 mei 2016. Andere informatie was door appellante niet overgelegd ten tijde van het nemen van het primaire besluit. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris bij het nemen van dat besluit gegevens heeft gemist. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat volgens KNMG-richtlijnen een behandelend arts zich moet onthouden van het afgeven van een verklaring over de vraag of appellante al dan niet arbeidsgeschikt kan worden geacht. De behandelend arts kan wel inlichtingen verschaffen over de klachten van zijn patiënt, over de gestelde diagnose(s) en over de daaruit voortvloeiende beperkingen voor betrokkene. Nu de Duitse huisarts geen inlichtingen over de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen heeft verstrekt, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellante met deze verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet per 2 mei 2016 de aangepaste werkzaamheden kon verrichten. Uit de in bezwaar overgelegde brief van de behandelend neuroloog van

12 april 2016 blijkt evenmin dat zij niet in staat kon worden geacht per 2 mei 2016 geleidelijk met aangepaste werkzaamheden te beginnen. Nu de ziekmelding van appellante niet geaccepteerd was door haar leidinggevende en appellante zonder toestemming niet op het werk was verschenen na 2 mei 2016, heeft de staatssecretaris in redelijkheid tot het geven van een dienstopdracht kunnen overgaan.

3.2.

In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het dienstbelang dat met het primaire besluit is gemoeid, het niet vertragen van de re-integratie van appellante is. De staatssecretaris heeft de noodzaak voor het nemen van dat besluit voldoende onderbouwd en er terecht op gewezen dat appellante zelf heeft aangegeven dat haar gezondheidstoestand zeer slecht was, zodanig slecht dat zij zich niet in staat achtte om twee keer drie uur per week te re-integreren en daarvoor gebruik te maken van door de werkgever betaald taxivervoer. Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid de verlofaanvraag heeft kunnen afwijzen. De rechtbank merkt op dat aan appellante op een later moment wel vakantieverlof is verleend, zodat zij niet onredelijk in haar belangen is geraakt. Voor het geldbedrag dat zij voor de geboekte maar niet gebruikte vakantie heeft betaald, kan zij alsnog een verzoek om vergoeding bij de staatssecretaris indienen.

4. Appellante heeft de aangevallen uitspraken op de hierna te bespreken gronden bestreden en verzocht om veroordeling van de staatssecretaris tot vergoeding van de door haar als gevolg van de weigering vakantieverlof te verlenen geleden schade tot een bedrag van € 910,-.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Dat appellante ter zitting van de rechtbank haar pleitnota niet heeft mogen overleggen, betekent niet dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Niet is gebleken dat zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunt mondeling toe te lichten. Uit het proces-verbaal van de zitting van 7 december 2017 blijkt dat appellante en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten mondeling toe te lichten en dat ze van die gelegenheid ook uitgebreid gebruik hebben gemaakt. Deze grief treft dus geen doel.

Dienstopdracht

5.2.

Gezien het advies van de bedrijfsarts van 14 april 2016, was de dienstopdracht om te verschijnen op het werk en het aldaar verrichten van aangepaste werkzaamheden vanaf

23 mei 2016 niet onredelijk. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop de rechtbank tot dit oordeel is gekomen, zoals samengevat onder 3.1, en maakt deze tot de zijne. Hieraan wordt nog toegevoegd dat appellante op 13 mei 2016 een deskundigenoordeel van het Uwv heeft gevraagd en dat het Uwv het advies van de bedrijfsarts heeft onderschreven. Het Uwv heeft geconcludeerd dat appellante per 2 mei 2016 kon werken en dat het aangeboden werk passend was. Uit de door appellante ingebrachte verklaringen van haar huisarts en behandelend neuroloog blijkt evenmin dat appellante vanaf 23 mei 2016 niet in staat was in deze beperkte omvang aangepaste werkzaamheden te verrichten. Appellante heeft die werkzaamheden ook feitelijk hervat op 24 mei 2016.

5.3.

Het hoger beroep van appellante tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt dus niet. Die uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Weigering verlof

5.4.

Op grond van artikel 23 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is de ambtenaar vrij te bepalen wanneer hij vakantie opneemt, voor zover de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten. Op grond van artikel 32, aanhef en tweede lid, van het ARAR kan ook de ambtenaar die uit hoofde van ziekte of ongeval verhinderd is dienst te verrichten en op die grond verlof geniet vakantie opnemen.

5.5.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de staatssecretaris, gezien de hier af te wegen belangen, niet afwijzend op het verzoek om vakantieverlof van appellante had mogen beslissen. Tegenover het zwaarwegende belang van appellante om de jaarlijkse vakantie naar Kroatië te genieten staan onvoldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de dienst. Daarbij is van belang dat de bedrijfsarts weliswaar van oordeel was dat het behandelingsprogramma bij het revalidatiecentrum werd onderbroken omdat appellante van 1 tot 16 juli 2016 op vakantie wilde gaan, wat als weinig adequaat herstelgedrag werd opgevat, maar deze arts stelde niet dat de reis naar Kroatië medisch gezien niet verantwoord was. De behandelend neuroloog was blijkens haar verklaring van 30 juni 2016 van mening dat deze vakantie de stress en daarmee de klachten van appellante zou kunnen verminderen. De huisarts achtte deze vakantie in medisch opzicht aan te bevelen en het revalidatie-traject kon met twee weken worden opgeschoven. Onder deze omstandigheden is ten onrechte geweigerd aan appellante vakantieverlof te verlenen.

5.6.

Gezien wat onder 5.5 is overwogen, slaagt het hoger beroep van appellante tegen aangevallen uitspraak 2. Bestreden besluit 2 en aangevallen uitspraak 2 komen voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding ook het primaire besluit herroepen.

6. Appellante heeft verzocht om veroordeling van de staatssecretaris tot vergoeding van de schade die door deze weigering van het vakantieverlof is ontstaan, te weten een bedrag van

€ 910,- voor de geboekte accommodatie in Kroatië. Dit verzoek komt voor toewijzing in aanmerking, nu deze schade in een zodanig verband staat met het besluit tot weigering van het vakantieverlof, dat de onrechtmatigheid van dat besluit ertoe leidt dat deze schadepost aan de staatssecretaris is toe te rekenen en de staatssecretaris de hoogte van het gestelde schadebedrag niet heeft bestreden.

7. De Raad ziet verder aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar tot een bedrag van € 1.024,-, in beroep tot een bedrag van € 1.024,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 512,-, in totaal € 2.560,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 maart 2017 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 30 juni 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

besluit van 17 maart 2017;

- veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van

€ 910,-;

- veroordeelt de staatssecretaris in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.560,-;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellante het in beroep tegen bestreden besluit 2 en in

hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 betaalde griffierecht van in totaal € 421,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.T. van de Corput en
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) F. Demiroğlu

md