Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
16/7996 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij eerder in een andere woning verbleef dan het college heeft aangenomen. Het toepassen van de kostendelersnorm in verband met inwoning van de zoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7996 PW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 november 2016, 16/1320 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft C.H.M. Veenbrink hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 22 augustus 2017 heeft mr. P.T. Huisman, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Namens appellante is mr. Huisman verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Appellante is mantelzorger van haar meerderjarige en meervoudig gehandicapte zoon. Appellante en haar zoon hadden ten tijde van de invoering van de PW op 1 januari 2015 beiden hun hoofdverblijf in de woning op het adres [adres 1] te [woonplaats] . In de daarnaast gelegen woning aan de [adres 2] was de moeder van appellante (moeder) woonachtig.

1.3.

Bij besluit van 29 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 maart 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2015 verlaagd in verband met toepassing van de kostendelersnorm.

1.4.

Met ingang van 15 december 2015 staat het huurcontract van de woning aan de [adres 2] op naam van appellante. Nadien is er een verbinding - een gat in de

muur - gerealiseerd tussen de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] . Appellante ontvangt met ingang van 15 december 2015 weer bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de zogenoemde kostendelersnorm ingevoerd. Deze norm is van toepassing indien de belanghebbende met één of meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.

4.2.1.

Het geschil in deze zaak ziet in de kern op de vraag of appellante op 1 juli 2015 haar hoofdverblijf had in dezelfde woning als haar zoon. Appellante stelt dat zij al met ingang van 1 juli 2015 feitelijk verbleef in de woning van haar moeder, die in mei 2015 is opgenomen in het ziekenhuis en vervolgens naar een verpleeghuis is gegaan.

4.2.2.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Anders dan appellante aanvoert, bieden de concrete feiten en omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat zij per 1 juli 2015 haar hoofdverblijf had op het adres van haar moeder. Appellante had de zorg voor haar zoon en hield constant toezicht op hem in de woning aan de [adres 1] . Op 1 juli 2015 was dat nog niet mogelijk vanuit de woning aan de [adres 2] , omdat het gat in de muur tussen beide woningen pas in december 2015 is gerealiseerd. Appellante sliep elke avond in de woning aan de [adres 1] . Zij had, gelet op het verhandelde ter zitting, na de ziekenhuisopname van haar moeder wellicht een deel van haar persoonlijke bezittingen verplaatst naar de woning op [adres 2] , maar had dus ook een deel daarvan nog altijd liggen op [adres 1] . Na het vertrek van haar moeder uit die woning was de woning op [adres 2] voor appellante, zo is ter zitting bevestigd, een plek om af en toe tot rust te komen. De plek waar zij daarna steeds weer terugkeerde was de woning aan de [adres 1] . Daar lag het zwaartepunt van haar persoonlijk leven. De beroepsgrond dat appellante met ingang van 1 juli 2015 haar hoofdverblijf had op het adres [adres 2] slaagt gelet hierop niet.

4.3.1.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het college gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 18 van de PW af te wijken van de kostendelersnorm.

4.3.2.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 25 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2625, heeft de wetgever nadrukkelijk overwogen dat de voordelen van het kunnen delen van de kosten met woningdelers los staan van de redenen waarom men de woning deelt. Daarbij heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). De zorg die appellante aan haar zoon verleent kan er daarom op zichzelf niet toe leiden dat het college met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW van de kostendelersnorm afwijkt.

4.4.

Gelet op 4.2.2 en 4.3.2 slagen de in hoger beroep aangevoerde gronden niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en P.W. van Straalen en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A.M. Pasmans

md