Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:2

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
18/802 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 802 WIA

Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 27 december 2017 en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3820), heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2015, 14/6199, bevestigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 27 december 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft M.E. Kühne-Vermeer beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door Kühne-Vermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J.S. van Daatselaar.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 25 oktober 2017.

1.2.

In de uitspraak van 25 oktober 2017 heeft de Raad geoordeeld dat het besluit van

13 mei 2014 niet kan worden aangemerkt als een adequate beslissing van het Uwv op het verzoek van appellante om de eerste ziektedag van de betrokken werknemer opnieuw vast te stellen en met inachtneming daarvan de aanspraak van werknemer op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) na einde wachttijd en per 12 oktober 2012 vast te stellen. Het besluit van 13 mei 2014 is niet genomen conform het bepaalde in de artikelen

54 en 55 van de Wet WIA. Aan het besluit van 13 mei 2014 dient een eerder besluit als bedoeld in artikel 54 van de Wet WIA ten grondslag te liggen. Het Uwv heeft dat ten onrechte niet onderkend en dient daarom een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het Uwv het recht van de betrokken werknemer op een WIA-uitkering per 21 april 2008 vastgesteld en het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2014 andermaal ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het Uwv zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd dat hij terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 61 van de Wet WIA en bij de vaststelling van de hoogte van de WIA-uitkering terecht rekening heeft gehouden met een loondoorbetalingsverplichting van appellante vanaf 12 oktober 2012. Volgens het Uwv is de bedongen arbeid gewijzigd op het moment dat appellante met de werknemer in mei 2006 is overeengekomen dat de werkweek van de werknemer geen 40 uur, maar 32 uur zou gaan bedragen en zijn loon aan de verminderde arbeidsduur zou worden aangepast. De werknemer heeft vervolgens geruime tijd (ruim zes jaar tot de ziekmelding op 12 oktober 2012) in de urenomvang van 32 uur per week gewerkt.

3. Appellante heeft in beroep het eerder door haar ingenomen standpunt gehandhaafd en betwist dat met ingang van 12 oktober 2012 voor haar een nieuwe loondoorbetalingsverplichting is ontstaan. Volgens appellante heeft het Uwv ten onrechte een korting op de WIA-uitkering van de betrokken werknemer toegepast. Appellante heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Raad van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:284. Ter zitting heeft appellante een verzoek om schadevergoeding gedaan als bedoeld in

artikel 8:88 van de Awb.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA is geregeld op welke wijze en met inachtneming van welke factoren de loongerelateerde WGA-uitkering per kalendermaand moet worden berekend. Onderdeel van die berekening is het inkomen van de uitkeringsgerechtigde per kalendermaand (B-factor).

4.2.

De vraag die partijen over de toepasselijkheid van artikel 61 van de Wet WIA verdeeld houdt, is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de vaststelling van de WIA-uitkering van de betrokken werknemer met ingang van 12 oktober 2012 rekening moet worden gehouden met een verplichting van appellante tot loondoorbetaling aan de werknemer op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.3.

Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op loondoorbetaling, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van (onder meer) ziekte daartoe verhinderd was.

4.4.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 21 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1757) onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2011 (Kummeling/Oskam, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134), voor zover hier van belang, overwogen dat voor het ontstaan van een nieuwe loondoorbetalingsplicht van de werkgever bepalend is of de (passende) werkzaamheden die de werknemer als gevolg van de re-integratie is gaan verrichten, moeten worden aangemerkt als nieuw bedongen arbeid. Of met re-integratieafspraken tussen de werkgever en de werknemer over de te verrichten (passende) werkzaamheden, betrekking hebbend op aard, inhoud of duur ervan, de bedongen arbeid is gewijzigd, moet worden bepaald met de maatstaf die volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) en 5 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY8101), ongeacht of die afspraken mondeling of schriftelijk zijn gemaakt.

4.5.

Uit de stukken blijkt, en dit is tussen partijen ook niet in geschil, dat de betrokken werknemer tot mei 2006 gedurende 40 uur per week als betonwerker/timmerman bij appellante werkzaam is geweest. In mei 2006 zijn werknemer en appellante mondeling overeengekomen dat de urenomvang van de werkzaamheden van de werknemer per die datum 32 uur per week zou gaan bedragen. De werknemer was op die datum niet ziek noch ziek gemeld. Ook was er geen sprake van dat hij werd gere-integreerd in (passende) werkzaamheden. Desgevraagd ter zitting heeft appellante te kennen gegeven dat zij niet eerder gedurende een ziekteperiode van 104 weken aan de betrokken werknemer loon heeft moeten doorbetalen. Met ingang van mei 2006 heeft zij aan de werknemer een loon betaald dat was gebaseerd op een arbeidsomvang van 32 uur per week.

4.6.

Uit wat in 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat het loon dat appellante sinds mei 2006 aan de betrokken werknemer heeft betaald niet geheel of gedeeltelijk is gebaseerd geweest op een plicht tot loondoorbetaling tijdens ziekte zoals bedoeld in artikel 7:629 van het BW, maar op de verplichting tot betaling van loon voor feitelijke gewerkte uren. Bij de ziekmelding van de werknemer op 12 oktober 2012 ging het niet om het ontstaan van een nieuwe loondoorbetalingsplicht nadat in een eerdere periode van 104 weken loon was doorbetaald zoals aan de orde in de in 4.4 aangehaalde rechtspraak. Dat aan de vermindering van de arbeidsduur een verslechterende gezondheidstoestand van de werknemer ten grondslag lag, maakt dat niet anders. Het Uwv heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat appellante op grond van artikel 7:629 van het BW met ingang van 12 oktober 2012 gehouden was om het loon aan de betrokken werknemer door te betalen. Dat betekent dat het Uwv eveneens terecht bij de vaststelling van wat bij toepassing van artikel 61 van de Wet WIA met ingang van

12 oktober 2012 aan WGA-uitkering aan de werknemer moet worden betaald, rekening heeft gehouden met de loondoorbetalingsverplichting van appellante op grond van artikel 7:629 van het BW.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het beroep niet slaagt. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en B.J. van de Griend en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) M. Greebe

(getekend) P.B. van Onzenoort

IvR