Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
17/4588 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen aanleiding voor een eerdere ingangsdatum IOAW dan de datum van de melding. Op het Uwv lag niet de plicht om appellant te wijzen op mogelijk IOAW recht na afloop van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4588 NIOAW

Datum uitspraak: 22 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 mei 2017, 16/2823 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.P. Voragen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Namens appellant is mr. Voragen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H.M. Vaessen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij brief van 27 januari 2015 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) tot en met 2 maart 2015 loopt, dat hij misschien recht heeft op een andere uitkering en bijstand kan aanvragen.

1.2.

Op 28 december 2015 heeft appellant zich gemeld bij het college voor het aanvragen van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Op 10 januari 2016 heeft hij de aanvraag ingediend, met als gewenste ingangsdatum 3 maart 2015.

1.3.

Bij besluit van 12 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant een IOAW-uitkering toegekend met ingangsdatum 28 december 2015. Aan de besluitvorming ligt voor zover het de ingangsdatum betreft ten grondslag dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de IOAW-uitkering met terugwerkende kracht moet worden toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of het college de ingangsdatum van de aan appellant toegekende IOAW-uitkering had moeten bepalen op een eerdere datum dan 28 december 2015.

4.2.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de IOAW stelt het college het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de IOAW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen. Ingevolge het tweede lid heeft de belanghebbende zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uwv.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4278), brengt artikel 16a, eerste lid, van de IOAW mee dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien gebleken is dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het Uwv of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, brengt het bepaalde in artikel 16a, tweede lid, van de IOAW niet mee dat het Uwv appellant al in de gelegenheid had moeten stellen een aanvraag om een IOAW-uitkering in te dienen, nu de naam, het adres en de woonplaats al bij het Uwv waren geregistreerd. Zonder dat appellant te kennen had gegeven een aanvraag om een IOAW-uitkering in te willen dienen was het Uwv niet gehouden hem daartoe in de gelegenheid te stellen. Vaststaat dat appellant zich voor zijn melding op 28 december 2015 niet bij het Uwv of het college heeft gemeld voor het doen van een aanvraag. Ook heeft appellant niet voorafgaand aan 28 december 2015 op enigerlei wijze actie in de richting van het Uwv of het college ondernomen die tot het innemen van een aanvraag voor een

IOAW-uitkering had moeten leiden.

4.5.

Anders dan appellant heeft aangevoerd vloeit verder uit de omstandigheid dat het Uwv appellant niet heeft geattendeerd op de mogelijkheid een aanvraag om een IOAW-uitkering in te dienen, gezien in samenhang met de gestelde omstandigheid dat appellant door psychische problematiek zijn eigen belangen niet adequaat kon bewaken, niet voort dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is geen sprake.

4.6.

Ook anderszins vloeit uit wat appellant heeft aangevoerd niet voort dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Het had op de weg van appellant gelegen om zich over zijn rechten op een uitkering te laten informeren. Dit klemt te meer nu het Uwv appellant er in de brief van 27 januari 2015 wel op heeft geattendeerd dat hij na afloop van zijn WW-uitkering mogelijk recht heeft op een andere uitkering. Uit de overgelegde informatie met betrekking tot de medische problematiek van appellant kan verder niet worden afgeleid dat appellant niet in staat was zich over zijn rechten op een uitkering te laten informeren.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om een IOAW-uitkering toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan 28 december 2015.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J. Smolders

md