Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
17/6454 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Vermogen boven de grens. Saldo op spaarrekening. Lijfrente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/210
RSV 2019/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6454 PW

Datum uitspraak: 11 juni 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 augustus 2017, 17/229 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.A.J. Wesdijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1967, ontving van 31 december 2013 tot en met 30 april 2016 een gedeeltelijke uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 17 maart 2016 heeft appellante zich gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen, waarna zij op 26 april 2016 de aanvraag heeft ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellante onder meer vermeld dat zij een gesloten pensioenrekening heeft.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college appellante om nadere informatie verzocht, waaronder gegevens met betrekking tot de pensioenrekening. Appellante heeft gegevens overgelegd, waaronder een met de Rabobank gesloten Rabo GoudenHanddrukSparen overeenkomst van 10 december 2013 met als einddatum

1 februari 2034 en een rekeningafschrift van 8 januari 2016 waaruit blijkt dat op een rekening Rabo GoudenHanddrukSparen (spaarrekening) een bedrag van € 15.556,36 staat.

1.3.

Bij besluit van 6 juli 2016 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat het vermogen van appellante meer bedraagt dan de voor de bijstand toegestane vermogensgrens. Het vermogen op de bankrekeningen van appellante bedraagt € 5.177,61. Het bedrag van € 15.556,39 dat op de spaarrekening staat, dient ook te worden beschouwd als vermogen. Dat bedrag kan niet worden gezien als een getroffen pensioenvoorziening omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden dat deze regeling minimaal vijf jaar voor de bijstandsaanvraag dient te zijn getroffen en dat er jaarlijks een bedrag moet worden gestort op de rekening. Bijzondere redenen om van deze voorwaarden af te wijken zijn niet aanwezig.

1.4.

In bezwaar heeft appellante, ter ondersteuning van haar standpunt dat zij wel voldoet aan de in het besluit van 6 juli 2016 genoemde voorwaarden, een met de Rabobank gesloten Rabo GoudenHanddrukSparen overeenkomst van 18 november 2010 overgelegd met als einddatum 18 november 2013. Tijdens de hoorzitting heeft appellante toegelicht dat het bij het afsluiten van de overeenkomst op 18 november 2010 niet mogelijk was om de rekening te laten eindigen op de datum dat appellante de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken en dat zij geen andere keus had dan een einddatum van 18 november 2013 overeen te komen. Bij aanvang van de overeenkomst bestond echter al de intentie om de rekening te laten eindigen op het moment dat appellante de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Daarop heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld om nadere stukken van de Rabobank in te dienen waaruit blijkt wat de voorwaarden en de intentie van de op 18 november 2010 afgesloten overeenkomst zijn geweest. Bij brief van 8 november 2016 heeft appellante een verslag van een financieel adviseur bij de Rabobank te [gemeente] van 25 oktober 2010 en 18 november 2010 overgelegd.

1.5.

Bij besluit van 5 december 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2016, onder wijziging van de wettelijke grondslag en de motivering, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen recht heeft op bijstand omdat het bedrag dat op de spaarrekening staat moet worden aangemerkt als vermogen en niet kan worden beschouwd als een getroffen pensioenvoorziening (lijfrente). Appellante voldoet niet aan de voorwaarde dat tijdens de vijf jaar voorafgaande aan de bijstandsaanvraag de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld. Appellante had op 18 november 2013 de keuze het tegoed te laten uitkeren. Zij heeft echter op 10 december 2013 besloten de spaarrekening voort te zetten en de einddatum te bepalen op 1 februari 2034. Hieruit volgt dat appellante in december 2013 heeft besloten de ingangsdatum van de lijfrente uit te stellen. Geen aanleiding bestaat om de lijfrente, ondanks het uitstellen van de einddatum, alsnog buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van het vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder n, van de PW wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder lijfrente: een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van die wet die voorziet in een oudedagslijfrente, dan wel een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen waarop artikel I, onderdeel O, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing is.

4.2.

Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, bedroeg de vermogensgrens voor een alleenstaande € 5.920,-.

4.3.

Op grond van artikel 31, eerste lid, - voor zover hier van belang - worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Op grond van het achtste lid, aanhef en onderdeel b, zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, wordt onder het redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid, niet verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente overeenkomstig artikel 15, tweede lid, onderdeel b, alsmede om te beschikken over een waardetoename van die lijfrente.

4.4.

Op grond van artikel 15, eerste lid, bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onderdeel b, wordt onder een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening niet verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, en:

1. tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld;

2. voor zover de totale waarde van de lijfrente(n) niet meer bedraagt dan € 250.000,- (…); en

3. voor zover de inleg in het kader van de lijfrente(n):

(i) voorafgaand aan de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden; of

(ii) tijdens de toetsingsperiode heeft plaatsgevonden, daarbij jaarlijks tenminste enige inleg heeft plaatsgevonden en de inleg ten hoogste € 6.000,- per jaar heeft bedragen.

Op grond van het derde lid wordt onder toetsingsperiode verstaan de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand.

4.5.

De hier aan de orde zijnde bepalingen om onder voorwaarden en begrenzingen een lijfrente buiten de vermogenstoets van de bijstand te houden, vloeien voort uit de Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw (Wet van 21 november 2015, Stb. 2015, 451). In de Memorie van Toelichting staat het volgende met betrekking tot de voorwaarde dat de ingangsdatum van de lijfrente tijdens de toetsingsperiode niet is uitgesteld (Kamerstukken II, 2014/2015, nr. 3, blz. 7): “Het college heeft de beoordelingsruimte om een eventuele tussentijdse aanpassing van de ingangsdatum op redelijkheid te beoordelen. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie dat de lijfrenteovereenkomst was gesloten op het moment dat de ingangsdatum van de AOW nog op 65 jaar lag en de belanghebbende die heeft aangepast aan de inmiddels voor hem geldende ingangsdatum, of dat bij het afsluiten van de lijfrente de ingangsdatum was afgestemd op een regeling voor vervroegde uittreding.”

4.6.

Vaststaat dat appellante op 18 november 2010 met de Rabobank een overeenkomst heeft gesloten, dat zij daarmee bij deze bank de spaarrekening heeft geopend en dat zij daarop een bedrag heeft ingelegd ter hoogte van (inmiddels) € 15.556,39. Voorts is niet in geschil dat het hier gaat om een lijfrente als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder n, van de PW, zoals deze bepaling ten tijde hier van belang luidde. Evenmin is in geschil dat op 10 december 2013 de aanvankelijke ingangsdatum van de lijfrente is uitgesteld van 18 november 2013 naar 1 februari 2034, zodat sprake is van uitstel van de ingangsdatum van de lijfrente tijdens de toetsingsperiode. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 15, tweede lid, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de PW gestelde voorwaarde voor het buiten de vermogenstoets houden van deze lijfrente.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat het college de lijfrente, ondanks het uitstellen van de ingangsdatum daarvan binnen de toetsingsperiode, buiten beschouwing had moeten laten bij de vaststelling van het vermogen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat zij vanaf het afsluiten van de overeenkomst op 18 november 2010 de intentie heeft gehad om de uiteindelijke opbrengst van de spaarrekening aan te wenden als een aanvullende pensioenregeling op het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat appellante bij aanvang van de overeenkomst op 18 november 2010 de intentie had om de spaarrekening te laten eindigen op het moment dat zij de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt, wat het college op zichzelf ook niet heeft bestreden, is onvoldoende om te oordelen dat het college het bedrag op de spaarrekening niet in redelijkheid tot het in aanmerking te nemen vermogen heeft kunnen rekenen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op 18 november 2010 niet de reële keuze had om een andere datum dan 18 november 2013 als einddatum van de spaarrekening overeen te komen. Appellante had op 18 november 2013 ook de reële keuze om het tegoed uit te laten betalen. Hieruit volgt dat appellante al op 18 november 2013 over het tegoed van de spaarrekening kon beschikken. Nu deze datum van 18 november 2013 niet was afgestemd op de pensioengerechtigde leeftijd van appellante bestond geen aanleiding om dit tegoed bij de vaststelling van het vermogen buiten beschouwing te laten. Het college is met zijn motivering de grenzen van een redelijke wetsuitleg dan ook niet te buiten gegaan.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en E.C.R. Schut en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) E. Stumpel

md