Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
20-06-2019
Zaaknummer
17/6821 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De OV‑chipkaart van appellante was op 24 mei 2016 reeds verlopen. Nu het technisch onmogelijk is om het reisproduct dat op een verlopen OV‑chipkaart is geladen bij een daartoe bestemde automaat van de vervoersbedrijven stop te zetten, wordt appellante niet gevolgd in haar primaire stelling dat zij het reisproduct op 24 mei 2016 heeft stopgezet. De minister heeft geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Rsf 2000 om stopzetting van het reisproduct bij aangetekende brief toe te staan. Geen aanleiding toepassing hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6821 WSF

Datum uitspraak: 29 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 september 2017, 17/959 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2019. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 14 oktober 2016 heeft de minister, naar aanleiding van een inschrijvingscontrole, vastgesteld dat appellante vanaf juni 2016 geen recht heeft op studiefinanciering en daarmee ook geen recht heeft op een studentenreisproduct (reisproduct). Omdat appellante in de maanden juni 2016 tot en met september 2016 een reisproduct op haar OV‑chipkaart had staan, terwijl daarop geen recht bestond, is ten laste van appellante over die periode een OV‑schuld van in totaal € 776,- vastgesteld. Hiervan is € 194,- verrekend, zodat de openstaande schuld € 582,- bedraagt.

1.2.

Bij besluit van 28 oktober 2016 is de OV-schuld met een bedrag van € 194,- verhoogd omdat appellante in de maand oktober 2016 op haar OV‑chipkaart een reisproduct had staan, terwijl daarop geen recht bestond.

1.3.

Bij besluit van 24 januari 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 14 oktober 2016 en 28 oktober 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat appellante het reisproduct in de aan de orde zijnde periode niet heeft stopgezet en niet sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) dan wel van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan met toepassing van de hardheidsclausule zou moeten worden afgeweken van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Primair wordt aangevoerd dat appellante het reisproduct op 24 mei 2016 bij een automaat van de vervoersbedrijven, en daarmee tijdig, heeft stopgezet. Vervolgens heeft zij de OV‑chipkaart opgestuurd naar de Klantenservice van OV‑chipkaart in Amersfoort. Nu de automaat geen bewijs van stopzetting verstrekt kan het appellante niet worden tegengeworpen dat zij geen bewijs ter zake heeft overgelegd. Subsidiair wordt aangevoerd dat appellante het reisproduct tijdig heeft stopgezet gezien de tussen appellante en de minister gevoerde e-mailwisseling. Een e‑mailbericht moet gelijkgesteld worden met een aangetekende brief, zodat stopzetting op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Regeling studiefinanciering 2000 (Rsf 2000) heeft plaatsgevonden. Meer subsidiair wordt aangevoerd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 dan wel van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule. De bijzondere omstandigheid is daarin gelegen dat appellante niet stil heeft gezeten. Zij heeft meerdere malen, telefonisch en per e‑mail, contact gehad met de Dienst Uitvoering Onderwijs waarbij zij heeft aangegeven dat zij het reisproduct wilde stopzetten. Het is haar echter pas na de hier aan de orde zijnde periode met hulp van derden gelukt om het reisproduct stop te zetten.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is de vastgestelde OV-schuld over de maanden juni 2016 tot en met oktober 2016. Niet in geschil is dat appellante in deze periode geen recht had op studiefinanciering, waaronder een reisrecht.

4.3.

Appellante heeft te kennen gegeven dat zij haar reisproduct op 24 mei 2016 heeft stopgezet bij een automaat van de vervoersbedrijven en zij de OV‑chipkaart vervolgens, omdat deze bleek te zijn verlopen, heeft opgestuurd naar OV‑chipkaart te Amersfoort. Bij brief van 25 mei 2016 heeft de Klantenservice van OV‑chipkaart bevestigd dat de door appellante opgestuurde OV‑chipkaart is beëindigd en meegedeeld dat het resterende saldo op de kaart aan haar wordt overgemaakt. Het voorgaande kan niet tot een andere conclusie leiden dan dat de OV‑chipkaart van appellante op 24 mei 2016 reeds was verlopen. Nu het technisch onmogelijk is om het reisproduct dat op een verlopen OV‑chipkaart is geladen bij een daartoe bestemde automaat van de vervoersbedrijven stop te zetten, wordt appellante niet gevolgd in haar primaire stelling dat zij het reisproduct op 24 mei 2016 heeft stopgezet.

4.4.

Appellantes subsidiaire stelling slaagt evenmin reeds omdat de minister geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Rsf 2000 om stopzetting van het reisproduct bij aangetekende brief toe te staan.

4.5.

Wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen leidt tot de vaststelling dat appellante in de aan de orde zijnde periode op grond van het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 aan de minister een bedrag van € 194,- per maand verschuldigd is.

4.6.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet sprake is van een situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan appellante kan worden toegerekend en evenmin sprake is van een situatie dat toepassing van de wet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 11.5 van de Wsf 2000. Het gegeven dat appellante in de hier aan de orde zijnde periode haar best heeft gedaan om het reisproduct stop te zetten levert geen overmachtssituatie op als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 en betekent evenmin dat artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 met toepassing van de hardheidsclausule buiten toepassing had moeten worden gelaten. De omstandigheid dat het appellante eerst, met hulp van derden, op 13 maart 2017 is gelukt om het reisproduct stop te zetten, komt geheel voor haar rekening en risico.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.A.A. Traousis

md