Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2019
Datum publicatie
24-06-2019
Zaaknummer
17/6635 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzien in verband met bijschrijvingen op de bankrekening van appellant. Intrekken van bijstand in verband met niet meewerken aan onderzoek opbrengst verkoop auto. Vrijgelaten bezittingen in natura. Vervangingsvermoeden. Geen schending. Wel meewerken onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1575
ABkort 2019/347
RSV 2019/173
USZ 2019/240 met annotatie van Nacinovic, H.W.M.
NBJ-Pw/2019/018 met annotatie van mr. Koen Mestrom
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6635 PW

Datum uitspraak: 4 juni 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 augustus 2017, 17/1312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 20 juni 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In januari 2015 heeft appellant bij het college gemeld dat hij werk had gevonden voor twintig uur per week. Omdat appellant niet reageerde op de automatisch gegenereerde verzoeken om loonspecificaties over te leggen, heeft een medewerker van Inkomensteam Noord van de gemeente Eindhoven (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker appellant uitgenodigd voor een gesprek op 17 juni 2015 en hem daarbij verzocht loonspecificaties en bankafschriften mee te nemen. Tijdens dat gesprek heeft de medewerker geconstateerd dat op de bankrekeningen van appellant verschillende bijschrijvingen waren gedaan, waarvan een groot deel afkomstig van een broer van appellant, hier verder aangeduid als A, en van een andere broer. Voorts heeft de medewerker geconstateerd dat appellant in de periode van 16 november 2013 tot 22 augustus 2014 een auto met kenteken [kenteken] (auto) op zijn naam had staan.

1.3.

Bij brief van 25 juni 2015 heeft het college appellant verzocht om bepaalde nadere gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften, bewijsstukken over bijschrijvingen op zijn bankrekeningen en een verkoopbewijs van de auto. Bij besluit van 6 juli 2015 heeft het college het recht op bijstand opgeschort met ingang van 2 juli 2015, omdat appellant de gevraagde stukken niet had overgelegd. Hierbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld de nog ontbrekende gegevens uiterlijk op 20 juli 2015 over te leggen. Appellant heeft hieraan slechts ten dele voldaan. Bij besluit van 27 juli 2015 heeft het college daarom de bijstand met ingang van 2 juli 2015 ingetrokken. Tegen de besluiten van 6 juli 2015 en

27 juli 2015 heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.4.

In het kader van een onderzoek naar de juistheid van de intrekkingsdatum heeft het college appellant opnieuw verzocht om onder meer bankafschriften, bewijsstukken omtrent verschillende bijschrijvingen en een verkoopbewijs van de auto over te leggen. Appellant heeft aan dat verzoek niet volledig voldaan.

1.5.

Bij besluit van 21 september 2016 heeft het college de bijstand met ingang van

1 maart 2013 ingetrokken en de over de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 27.825,27 bruto.

1.6.

Bij besluit van 22 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 september 2016 gegrond verklaard en het besluit van 21 september 2016 herzien. Daarbij heeft het college de bijstand herzien over de in de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 juli 2015 gelegen maanden waarin bijschrijvingen door derden op de bankrekening van appellant en transacties via Marktplaats hebben plaatsgevonden. Het college heeft de bijstand over augustus 2014, in welke maand de kentekenregistratie van de auto op naam van appellant is geëindigd, ingetrokken. Het college heeft het bedrag van de terugvordering verlaagd in die zin dat de kosten van bijstand die als gevolg van de herziening en de intrekking tot een te hoog bedrag, onderscheidenlijk ten onrechte is verleend, tot een bedrag van € 4.882,65 netto van appellant worden teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover hier nog van belang, ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de bijschrijvingen door derden en door geen melding te maken van de verkoop van zijn auto. De bijschrijvingen moeten als inkomsten worden aangemerkt. Doordat appellant geen verkoopbewijs van de auto heeft overgelegd, kan het recht op bijstand in de maand augustus 2014 niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening / bijschrijvingen

4.1.

Uit het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat uitsluitend de herziening over de maanden april en oktober 2014 en januari 2015 nog in geschil is. Het gaat daarbij om de bijschrijvingen van € 325,- op 23 april 2013, € 250,- op 23 oktober 2014 en € 150,- op 14 januari 2015. Appellant heeft aangevoerd dat deze bedragen niet kunnen worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW, omdat dit bedragen zijn die hij heeft geleend om andere schulden af te lossen. Om die reden kon hij in moreel opzicht niet vrijelijk over de bedragen beschikken.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2004) worden bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers – ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt – als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt.

4.3.

In dit geval bestaat geen aanleiding om een uitzondering te maken op deze uitgangspunten. Vaststaat dat de betalingen van A aan appellant een terugkerend karakter hadden en door appellant konden worden aangewend voor zijn levensonderhoud. Dat appellant zich moreel bezwaard voelde om de door A bijgeschreven bedragen daarvoor aan te wenden, doet er niet aan af dat appellant feitelijk vrijelijk over deze bedragen kon beschikken. Het college heeft de bijschrijvingen dan ook terecht als inkomen aangemerkt en op de bijstand over de onder 4.1 vermelde maanden in mindering gebracht.

4.4.

Wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen betekent dat de onder 4.1 vermelde beroepsgrond niet slaagt.

Intrekking / verkoop auto

4.5.

De intrekking van de bijstand betreft de maand augustus 2014. Het bestreden besluit is op dit punt gemotiveerd met de stelling dat appellant de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de verkoop van de auto niet te melden.

4.6.

Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de verkoop van de auto op dezelfde wijze wordt gekwalificeerd als de verkoop van goederen door appellant via Marktplaats, waarvan de opbrengsten zijn aangemerkt als inkomsten, wat heeft geleid tot onder meer de hiervoor besproken herziening over een aantal maanden.

4.7.

Dit standpunt van het college is niet juist. Appellant heeft via Marktplaats enkel allerhande spullen verkocht en geen auto’s. Hij heeft ook de auto waarom het hier gaat niet via Marktplaats verkocht. Het betrof hier, zoals appellant heeft betoogd, een eenmalige transactie, die bovendien losstond van de Marktplaats-transacties. Het door het college ter zitting ingenomen standpunt dat het verkoopbedrag als inkomsten moet worden beschouwd, vormt daarom geen deugdelijke onderbouwing van het bestreden besluit ten aanzien van de maand augustus 2014.

4.8.

Het college heeft zich ter zitting voorts op het standpunt gesteld dat de verkoop van de auto van betekenis was voor de vaststelling van het vermogen van appellant, omdat weliswaar op grond van het gevoerde beleid de auto niet als vermogen in aanmerking moest worden genomen, maar de verkoopopbrengst wel. Daarom had appellant ingevolge de op hem rustende inlichtingenverplichting de verkoop van de auto moeten melden.

4.9.

Appellant heeft daartegen aangevoerd, dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkoop van de auto niet van betekenis was voor het recht op bijstand. Het was een dertien jaar oude auto en het betrof een eenmalige transactie. Omdat het bezit van een dergelijke auto niet als relevant vermogensbestanddeel door het college wordt meegerekend, is ook de verkoop ervan niet van betekenis voor het recht op bijstand. Hij hoefde die verkoop daarom niet te melden. In ieder geval kon hem een verplichting daartoe redelijkerwijs niet duidelijk zijn.

4.10.

Partijen worden dus verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of appellant in het kader van de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW rustende inlichtingenverplichting melding had moeten maken van de verkoop van de auto. Deze vraag leidt tot de volgende overwegingen.

4.11.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.12.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW, voor zover hier van belang, wordt onder vermogen verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Dit ziet, gelet op artikel 11, eerste lid, van de PW, op het vermogen als middel waarover de betrokkene kan beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.13.

Op dit uitgangspunt zijn uitzonderingen van toepassing. Zo is in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW bepaald dat niet als vermogen wordt aangemerkt: bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, dan wel gelet op de omstandigheden van persoon en gezin noodzakelijk zijn. De ratio achter deze uitzondering is volgens de wetgeschiedenis van de gelijkluidende uitzonderingsbepaling in de Wet werk en bijstand (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 61-64) dat het van enkele vermogensbestanddelen ongewenst of onbillijk is om deze als vermogen in aanmerking te nemen en om te vergen dat deze voor het levensonderhoud worden ingezet.

4.14.

Indien de betrokkene toch overgaat tot de verkoop van een bezitting als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW (vrijgelaten bezitting) valt de opbrengst van die verkoop niet onder de uitzonderingsbepaling.

4.15.

De uitzonderingsbepaling ziet op – naar aard en waarde – algemeen gebruikelijke, dan wel in het specifieke geval noodzakelijke, gebruiksgoederen. Dit rechtvaardigt het vermoeden dat een dergelijk gebruiksgoed, na verkoop ervan, wordt vervangen, dan wel dat met de verkoopopbrengst een ander, soortgelijk, gebruiksgoed wordt aangeschaft (vervangingsvermoeden). In beginsel moet het er daarom voor worden gehouden dat de verkoopopbrengst van een vrijgelaten bezitting voor de betrokkene niet beschikbaar is om in andere noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Als uitgangspunt heeft dus te gelden dat de verkoopopbrengst van een vrijgelaten bezitting niet is aan te merken als een bezitting waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken in de onder 4.12 bedoelde zin.

4.16.

Gelet op het vervangingsvermoeden en de onder 4.15 beschreven gevolgen daarvan, moet het er verder voor worden gehouden dat het de betrokkene die een vrijgelaten goed verkoopt redelijkerwijs niet zonder meer duidelijk kan zijn dat de opbrengst daarvan van invloed kan zijn op het recht op bijstand. De betrokkene is daarom niet ingevolge de op hem rustende inlichtingenverplichting gehouden uit eigen beweging een dergelijke verkoop bij het college te melden.

4.17.

In dit geval staat vast dat het college de auto die appellant op 22 augustus 2014 heeft verkocht in overeenstemming met het gevoerde beleid heeft aangemerkt als een bezitting in natura als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, dus als een vrijgelaten bezitting. Dit betekent, gelet op wat onder 4.16 is overwogen, dat appellant niet de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de verkoop van de auto niet uit eigen beweging te melden. Hieruit volgt dat de intrekking van de bijstand over de maand augustus 2014 in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet hierin echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Het motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit niet is benadeeld. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.

4.18.

Indien en voor zover het college meent dat de opbrengst van de verkoop van een vrijgelaten bezitting wel van invloed is of kan zijn op het vermogen van de betrokkene, zal het college het onder 4.15 bedoelde vervangingsvermoeden moeten weerleggen. Het college zal daartoe onderzoek moeten doen. Aan een onderzoek naar de vermogenssituatie, dus ook aan een onderzoek naar de weerlegbaarheid van het vervangingsvermoeden, zal de betrokkene zijn medewerking moeten verlenen. Hij zal ingevolge de op hem rustende inlichtingenverplichting desgevraagd gegevens moeten verstrekken over de verkoop van de vrijgelaten bezitting.

4.19.

Het college heeft het verkoopbewijs van de auto bij appellant opgevraagd. Dit moet worden geacht te zijn geschied in het kader van een dergelijk onderzoek. Uit 4.18 vloeit voort dat appellant gehouden was om gehoor te geven aan het verzoek van het college om het verkoopbewijs over te leggen.

4.20.

Vaststaat dat appellant het verkoopbewijs, ondanks het verzoek daartoe, niet heeft overgelegd. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand na de verkoop van de auto als gevolg daarvan niet was vast te stellen. De enkele stelling van appellant dat het een oude auto was en dat de verkoopopbrengst gering was, is daartoe immers niet toereikend. De intrekking van de bijstand over de maand augustus 2014 houdt daarom in rechte stand.

4.21.

Wat onder 4.10 tot en met 4.20 is overwogen, betekent dat de onder 4.9 vermelde beroepsgrond ook niet slaagt.

Terugvordering

4.22.

Appellant heeft tegen de terugvordering aangevoerd aan dat er dringende redenen zijn om daarvan af te zien. Uit de overgelegde gegevens blijkt volgens appellant dat de terugvordering ernstige negatieve gevolgen heeft voor zijn psychische gesteldheid.

4.23.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de PW kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

4.24.

Uit de door appellant ingediende medische en overige stukken komt naar voren dat appellant psychische klachten heeft. Hiervoor worden verschillende mogelijke oorzaken vermeld, zoals problemen in zijn jeugd, relatieproblemen met zijn vader en met vrouwen en cultuurgebonden, financiële en werkgerelateerde problemen. Uit die stukken is af te leiden dat de klachten van appellant ernstig zijn, maar niet dat die zijn veroorzaakt of in belangrijke mate zijn verergerd door de terugvordering van het bedrag van € 4.882,65. De stukken geven geen reden tot twijfel aan de juistheid van het standpunt van het college dat de problemen van appellant niet voortvloeien uit de terugvordering. Voor raadpleging van een onafhankelijk psychiater als deskundige, zoals appellant heeft verzocht, bestaat om die reden in dit geval geen aanleiding.

4.25.

Uit 4.23 en 4.24 volgt dat de onder 4.22 vermelde beroepsgrond evenmin slaagt.

Conclusie

4.26.

Uit 4.4, 4.21 en 4.25 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom – gelet op 4.17 met verbetering van gronden – worden bevestigd.

5. Gelet op 4.17 bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 2.048,-

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.F. Claessens en D.L.J. Martens als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2019.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) S.H.H. Slaats

md