Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
17/5868 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College heeft geen juiste uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Raad. Het standpunt van het college dat appellant inkomsten heeft of heeft kunnen ontvangen uit hazelnootboomgaarden is onvoldoende onderbouwd. Evenmin is onderbouwd dat appellanten hebben nagelaten gegevens over (mogelijke) inkomsten te vermelden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5868 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 7 mei 2019

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur van de

Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers van 12 juli 2017

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] beiden te [woonplaats] (appellanten)

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 23 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2104, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2014, 14/3313, vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 april 2014 vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De Raad heeft met toepassing van artikel 8:113 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van de Raad op 12 juli 2017 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).

Namens appelanten heeft mr. Y. Eryilmaz, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. H. Gümüş, advocaat en waarnemend voor mr. Eryilmaz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1.Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 23 mei 2017. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Het dagelijks bestuur heeft bij het besluit van 18 april 2014, voor zover hier van belang, de bezwaren ongegrond verklaard die appellanten hadden gericht tegen het besluit van 4 december 2013 tot intrekking van de bijstand met ingang van 22 juni 2006 en het besluit van 8 december 2013 tot terugvordering van de kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 119.349,88. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant door overerving beschikte over een zesde deel van een aantal percelen grond in Turkije, wat hij niet had gemeld, en dat op drie van die percelen, aangeduid als [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , een hazelnootplantage en twee hazelnootboomgaarden (samen: boomgaarden) lagen en dat appellanten geen gegevens hebben verstrekt over inkomsten uit laatstgenoemde percelen. Aldus hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden en is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 23 mei 2017 geoordeeld dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant door overerving eigenaar was geworden van percelen grond in Turkije. Voorts heeft de Raad overwogen dat het besluit van 18 april 2014 bewust niet is gebaseerd op het standpunt dat daardoor de omvang van het vermogen niet is vast te stellen. De omvang van de schulden was daarvoor voor het college redengevend. De Raad heeft vervolgens geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten ter zake van mogelijke inkomsten uit deze percelen de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, omdat niet duidelijk is geworden dat op de betreffende percelen boomgaarden lagen waaruit appellant inkomsten verwierf of heeft kunnen verwerven. Daarbij heeft de Raad, met verwijzing naar het door het dagelijks bestuur overgelegde rapport van 27 juli 2013 van het advocatenkantoor [advocatenkantoor] ( [advocatenkantoor] ) overwogen – verkort weergegeven – dat weliswaar enkele van de percelen niet als struikgewas, maar als hazelnootplantage dan wel als hazelnootboomgaard in het lokale kadaster stonden geregistreerd, maar dat onderzoek ter plaatse nodig was om te kunnen vaststellen wat de werkelijke aard van de percelen was en het op de weg van het dagelijks bestuur lag om nader onderzoek ter plaatse te laten verrichten naar de vraag of appellant uit de boomgaarden inkomsten verwierf of heeft kunnen verwerven. De Raad heeft het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en het daarmee gelegenheid gegeven om bedoeld onderzoek alsnog te laten verrichten.

2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen, voor zover hier van belang, het besluit van 4 december 2013 en het besluit van 8 december 2013 opnieuw ongegrond verklaard. Daarbij heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat nader onderzoek niet nodig was, omdat de percelen [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] als hazelnootplantage dan wel als hazelnootboomgaard stonden geregistreerd, zodat geen onduidelijkheid over de aard van die percelen bestond. Tevens heeft het dagelijks bestuur naar voren gebracht dat [advocatenkantoor] al onderzoek ter plaatse had laten verrichten, namelijk door landbouwkundig ingenieur

[Y] (Y). Y heeft op 7 september 2013 onderzoek ter plaatse gedaan en heeft vastgesteld dat de percelen [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] alle hazelnootboomgaarden betreffen. Het dagelijks bestuur heeft betoogd dat hiermee is vastgesteld dat appellant door overerving eigenaar is geworden van onroerend goed, onder andere in de vorm van percelen met hazelnootplantages, en dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door hiervan geen melding te maken. Het recht op bijstand kan volgens het dagelijks bestuur niet worden vastgesteld, omdat appellanten geen inzicht hebben verstrekt in de inkomsten die zij uit het onroerend goed hebben (kunnen) ontvangen.

3. Appellanten hebben zich tegen het bestreden besluit gekeerd op de grond dat zij niet de inlichtingenverplichting hebben geschonden, aangezien appellant niet wist dat hij een deel van de percelen grond bezat, hij nooit inkomsten uit hazelnootteelt heeft ontvangen en ten tijde hier van belang op de percelen grond geen functionerende boomgaarden meer lagen. Daarbij hebben appellanten aangevoerd dat uit het onderzoek van het dagelijks bestuur niet blijkt of sprake is van exploitatie van de percelen als boomgaarden, waaruit appellant in de te beoordelen periode inkomsten verwierf.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling staat de vraag of het dagelijks bestuur aan de uitspraak van de Raad van 23 mei 2017 een juiste uitvoering heeft gegeven.

4.2.

In die uitspraak heeft de Raad al geoordeeld dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden ten aanzien van het feit dat appellant door overerving voor een zesde deel eigenaar is geworden van onroerend goed, namelijk een aantal percelen grond in Turkije, waarvan sommige kadastraal waren geregistreerd als struikgewas en andere als hazelnootplantage dan wel als hazelnootboomgaard. Voor zover de beroepsgrond inhoudende dat appellanten de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, ziet op de

mede-eigendom van de percelen grond slaagt die beroepsgrond daarom niet.

4.3.

Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat zij niet de inlichtingenverplichting hebben geschonden ten aanzien van (mogelijke) inkomsten uit hazelnootteelt is bij de beantwoording van de onder 4.1 vermelde vraag van betekenis dat het hier een besluit tot intrekking van bijstand betreft. Dat is een belastend besluit. Dat brengt mee dat het dagelijks bestuur aannemelijk dient te maken dat appellanten hebben nagelaten om gegevens te melden die redelijkerwijs van belang konden zijn voor het recht op bijstand. Indien het dagelijks bestuur daarin is geslaagd, kan worden vastgesteld dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen. Het is in dat geval vervolgens aan appellanten om aannemelijk te maken dat het recht op bijstand desondanks is vast te stellen.

4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat beoordeeld moet worden of het dagelijks bestuur met de onderbouwing van het bestreden besluit zijn stelling aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 22 juni 2006 tot en met 4 december 2013, uit de percelen [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] inkomsten heeft verworven of heeft kunnen verwerven in de vorm van de opbrengst van de op die percelen liggende boomgaarden.

4.5.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Raad van 23 mei 2017 rechtvaardigt het enkele feit dat op de percelen [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] boomgaarden lagen, anders dan het dagelijks bestuur meent, niet de conclusie dat die percelen redelijkerwijs inkomsten voor appellant hebben opgeleverd of hebben kunnen opleveren.

4.6.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het dagelijks bestuur ter voorbereiding van het bestreden besluit geen nader onderzoek ter plaatse laten doen. Dat Y, zoals het dagelijks bestuur naar voren heeft gebracht, na onderzoek ter plaatse op 7 september 2013 heeft geconcludeerd dat de percelen [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] hazelnootplantages betroffen, maakte echter, anders dan het dagelijks bestuur meent, nader onderzoek niet onnodig. In het rapport van Y zijn immers geen gegevens vermeld waaruit conclusies zijn te trekken met betrekking tot de vraag of de boomgaarden in de hier te beoordelen periode werden geëxploiteerd. Zo zijn daarin geen gegevens opgenomen met betrekking tot de staat van onderhoud van de bomen, met betrekking tot de toegankelijkheid van de percelen en met betrekking tot de bij de exploitatie van een boomgaard behorende productiemiddelen. Evenmin blijkt van andere gegevens, zoals verklaringen van derden, dat de boomgaarden in de hier te beoordelen periode daadwerkelijk werden geëxploiteerd. Dit klemt te meer nu appellanten van meet af aan hebben ontkend dat zij weet hadden van de boomgaarden en dat zij ooit inkomsten uit hazelnootteelt hebben ontvangen. Op basis van het onderzoek dat Y op 7 september 2013 heeft verricht is dus niet vast te stellen of die percelen redelijkerwijs inkomsten voor appellant hebben kunnen opleveren.

4.7.

Het dagelijks bestuur heeft ter nadere motivering van het bestreden besluit erop gewezen dat appellant op 13 november 2013 tegenover twee medewerkers van het dagelijks bestuur heeft verklaard dat de vrouw van zijn overleden broer de stukken grond beheert, samen met haar kinderen. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur gewezen op een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 november 2017, gedaan op een beroep van een andere broer van appellant. Daarin is weergegeven dat die broer ter zitting van die rechtbank heeft verklaard dat na het overlijden van de vader in 1999 zijn schoonzus en haar kinderen de exploitatie van de hazelnootplantages nog enige tijd hebben voorgezet, maar dat er al jaren niet meer in de boomgaarden gewerkt wordt. Verder heeft het dagelijks bestuur een verklaring overgelegd van 19 oktober 2015 van het plaatselijke wijkhoofd in Turkije, opgemaakt in de beroepsprocedure van de broer. In die verklaring is vermeld dat de vader, die naar schatting van het wijkhoofd in 1999 is overleden, de percelen grond zelf heeft gebruikt en dat na diens overlijden deze werden bijgehouden en de inkomsten daarvan werden gebruikt door een broer van appellant en diens echtgenote en dat verder geen van de erfgenamen profiteert van de percelen. In diezelfde procedure heeft Y op 1 maart 2014 opnieuw onderzoek ter plaatse gedaan en is tot dezelfde conclusie gekomen als op 7 september 2013. Het dagelijks bestuur heeft het desbetreffende rapport overgelegd.

4.8.

De onder 4.7 vermelde gegevens bieden een indicatie dat de vader van appellant de boomgaarden tot aan zijn overlijden in 1999 heeft geëxploiteerd en dat nadien zijn schoondochter en kleinkinderen nog enige tijd die exploitatie hebben voortgezet. Die gegevens rechtvaardigen echter elk op zichzelf, noch in onderling verband bezien, de conclusie dat de boomgaarden ook op en na 22 juni 2006 nog werden onderhouden en geëxploiteerd.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het dagelijks bestuur zijn standpunt dat appellant inkomsten heeft ontvangen of heeft kunnen ontvangen uit de boomgaarden niet afdoende heeft onderbouwd. Voor zover het dagelijks bestuur heeft bedoeld te betogen dat het op de weg van appellant lag om de boomgaarden in productie te brengen ten einde daaruit inkomsten te kunnen ontvangen, treft dit betoog geen doel. Daargelaten dat appellant onbetwist heeft gesteld dat hij sinds lange tijd voor de te beoordelen periode problemen had om Turkije in te reizen brengt het enkele feit dat hij mogelijk de boomgaarden zou kunnen gaan exploiteren niet mee dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij in de te beoordelen periode inkomsten daaruit heeft ontvangen dan wel heeft kunnen ontvangen. Dit betoog leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

4.10.

Uit 4.8 en 4.9 volgt dat het dagelijks bestuur met het bestreden besluit geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 23 mei 2017. Het dagelijks bestuur heeft immers niet alsnog deugdelijk onderbouwd dat appellanten hebben nagelaten gegevens over inkomsten of mogelijke inkomsten te vermelden, zodat het recht op bijstand niet was vast te stellen. Het bestreden besluit ontbeert daarmee een draagkrachtige motivering. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In het kader van een definitieve beslechting van het geschil zal de Raad de besluiten van 4 december 2013 en 8 december 2013, waaraan hetzelfde gebrek kleeft, herroepen.

5. Het voorgaande geeft aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten appellanten. Deze worden begroot op € 1.024,- in bezwaar en € 1.024,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 12 juli 2017;

  • -

    herroept het besluit van 4 december 2013 en het besluit van 8 december 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 juli 2017;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 2.048,-;

  • -

    bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellanten het in beroep betaalde griffierecht van totaal € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2019.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.H.H. Slaats

lh