Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1912

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
16/7896 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kwalificatie brief appellante van 12 november 2015. De Svb heeft zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. Ook heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van 20 december 2005 niet onmiskenbaar onjuist is. De Raad zal op dit punt zelf in de zaak voorzien. Voor zover de brief van 12 november 2015 als een nieuwe aanvraag is aangemerkt, heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat ook deze aanvraag niet binnen de aanmeldingstermijn is ingediend. Niet gebleken van verschoonbare termijnoverschrijding. Vergoeding pkv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7896 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 november 2016, 16/5949 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 24 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Aanen hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aanen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 24 november 2005 een aanvraag gedaan tot “Inkoop vrijwillige verzekering AOW”. Bij besluit van 20 december 2005 heeft de Svb appellante medegedeeld dat zij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering AOW, omdat zij zich hiervoor niet binnen vijf jaar na de aanvang van de verplichte verzekering − vastgesteld op 5 april 2000 − heeft aangemeld. De Svb heeft het door appellante tegen het besluit van 20 december 2005 ingediende bezwaar bij besluit van 31 maart 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Tegen het besluit van 31 maart 2006 is geen beroep ingesteld.

1.2.

Bij brief van 12 november 2015 heeft appellante verzocht om het besluit van 20 december 2005 te heroverwegen en haar alsnog toe te laten tot de inkoop vrijwillige verzekering AOW. Bij besluit van 8 januari 2016 heeft de Svb appellante medegedeeld dat zij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering AOW, omdat zij zich hiervoor niet binnen tien jaar na de aanvang van de verplichte verzekering heeft aangemeld.

1.3.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat zij niet heeft beoogd een nieuwe aanvraag in te dienen, maar heeft verzocht om een heroverweging van het besluit van 20 december 2005 omdat de aanmeldingstermijn voor deelname aan de vrijwillige verzekering is verlengd naar 10 jaar.

1.4.

Bij het bestreden besluit van 1 juli 2016 is het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 20 december 2005, niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 8 januari 2016, is ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat een heroverweging van het besluit van 20 december 2005 niet meer mogelijk is, omdat dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Verder is het standpunt gehandhaafd dat de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering is overschreden. Onbekendheid met regelgeving is geen reden deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met beslissingen over proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard wat betreft het verzoek om herziening, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarin het bezwaar tegen het niet herzien van het besluit van 31 maart 2006 niet-ontvankelijk wordt verklaard, het bezwaar tegen het niet herzien van het besluit van 31 maart 2006 ongegrond verklaard en het beroep ongegrond verklaard wat betreft de afwijzing van de aanvraag tot toelating tot de vrijwillige verzekering.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de brief van 12 november 2015 dient te worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 december 2005 en niet van het besluit van 31 maart 2006. Verder heeft appellante aangevoerd dat de weigering tot deelname aan de vrijwillige verzekering evident onredelijk is. Met een beroep op beleidsregel SB1043 is appellante van mening dat de Svb haar had moeten informeren over de verruimde aanmeldingstermijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de eerste plaats is tussen partijen in geschil de vraag hoe de brief van appellante van 12 november 2015 moet worden gekwalificeerd.

4.2.1.

In die brief verzoekt appellante de Svb om de weigering om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering te heroverwegen in verband met de verlengde aanmeldingstermijn. Daarbij is een afschrift van het besluit van 20 december 2005 overgelegd. Dit betekent dat de brief primair ertoe strekt dat de Svb terugkomt van zijn besluit van 20 december 2005.

4.2.2.

De Raad stelt vast dat de Svb het verzoek van 12 november 2015 in het besluit van 8 januari 2016 uitsluitend als een nieuwe aanvraag heeft beoordeeld en in het bestreden besluit evenmin heeft beslist op dat verzoek. In het bestreden besluit is onder meer overwogen dat een terugkomen van het besluit van 20 december 2005 niet meer mogelijk is, omdat dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden. De rechtbank heeft de brief van

12 november 2015 aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 31 maart 2006 en heeft vervolgens geoordeeld dat appellante geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van de overschrijding van de bezwaartermijn heeft aangevoerd.

4.2.3.

De Svb heeft in het bestreden besluit miskend dat juist van onherroepelijke besluiten een verzoek op grond van artikel 4:6 van de Awb kan worden ingediend. De rechtbank heeft op haar beurt de brief van 12 november 2015 ten onrechte aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 31 maart 2006. Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2005

niet-ontvankelijk is verklaard. De aangevallen uitspraak komt eveneens – ten dele − voor vernietiging in aanmerking, op een wijze zoals neergelegd onder het kopje beslissing van deze uitspraak.

4.3.1.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt geoordeeld. Zoals onder 4.2.1 is geoordeeld, strekt het verzoek van 12 november 2015 ertoe dat de Svb terugkomt van het besluit van 20 december 2005. Op een dergelijk verzoek is artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing.

4.3.2.

Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) vloeit voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan geleverd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.

4.3.3.

Naar aanleiding van de onder 4.3.2 vermelde uitspraak heeft de Svb het beleid met betrekking tot het terugkomen van een rechtens onaantastbaar besluit op verzoek van de belanghebbende, zoals neergelegd in beleidsregels SB1076, gewijzigd. Dit beleid luidt, voor zover van belang in deze zaak, als volgt. Voor zover het herzieningsverzoek ziet op de periode die ligt voor de datum waarop de Svb het ontvangt, is de Svb bevoegd om het verzoek om herziening zonder nader onderzoek af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, tenzij dit evident onredelijk is. De Svb acht het evident onredelijk om zonder terugwerkende kracht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als de Svb uit hetgeen belanghebbende in zijn herzieningsverzoek aanvoert, concludeert dat dit besluit onmiskenbaar onjuist is.

4.3.4.

De Svb heeft zich in hoger beroep terecht op het standpunt gesteld dat van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake is. Het feit dat de aanmeldingstermijn voor de vrijwillige verzekering op 1 januari 2010 is gewijzigd van 5 naar 10 jaar is niet aan te merken als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid. Ten tijde van het besluit van 20 december 2005 bedroeg de in artikel 39, eerste lid, van de AOW neergelegde aanmeldingstermijn 5 jaar. Met ingang van 1 januari 2010 is voornoemd artikellid gewijzigd en is de aanmeldingstermijn 10 jaar geworden. Het feit dat de aanmeldingstermijn na het besluit van 20 december 2005 is gewijzigd, kan er niet toe leiden dat ten tijde van dat besluit van de verruimde termijn van 10 jaar had moeten worden uitgegaan. De wijziging van de aanmeldingstermijn kan dan ook niet leiden tot een ander besluit op de aanvraag van 28 november 2005.

4.3.5.

Ook heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van

20 december 2005 niet onmiskenbaar onjuist is. Niet in geschil is dat appellante zich niet binnen de destijds geldende aanmeldingstermijn heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering. De Svb heeft niet tot het oordeel hoeven komen dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn verschoonbaar is. De stelling van appellante dat de Svb dermate tekort is geschoten in het verstrekken van (de juiste) informatie dat de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar is, kan niet worden gevolgd. Zoals door de Svb terecht is opgemerkt, bestond er voor de Svb geen rechtsplicht personen die in Nederland kwamen wonen te wijzen op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering.

4.3.6.

De Raad zal op dit punt zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het verzoek om met toepassing van artikel 4:6 van de Awb terug te komen van het besluit van

20 december 2005, wordt afgewezen.

4.4.

Voor zover de brief van 12 november 2015 als een nieuwe aanvraag is aangemerkt, heeft de Svb zich terecht op het standpunt gesteld dat ook deze aanvraag niet binnen de aanmeldingstermijn is ingediend. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is niet gebleken. Op de Svb rustte geen rechtsplicht om appellante op de hoogte te stellen van de per 1 januari 2010 gewijzigde regelgeving over de verruimde aanmeldingstermijn. Het beroep op beleidsregel SB1043 kan appellante niet baten, omdat de Svb op grond daarvan uitsluitend uit het oogpunt van dienstverlening aanvragen om toelating tot de vrijwillige verzekering bevordert voor bij de Svb bekende personen die daar potentieel recht op hebben. Er is in het beleid een aantal categorieën van personen vermeld, waartoe appellante niet behoort.

4.5.

Gelet op 4.2.3 is het hoger beroep terecht ingesteld, maar uit 4.3.1 tot en met 4.4 volgt dat appellante terecht niet is toegelaten tot de vrijwillige verzekering.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en

griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 1 juli 2016 voor zover

daarbij het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2005 niet-ontvankelijk is verklaard;

- herroept het besluit van 8 januari 2016 voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om

terug te komen van het besluit van 20 december 2005;

- wijst het verzoek om met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht

terug te komen van het besluit van 20 december 2005 af;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre treedt in de plaats van het besluit van 8 januari 2016;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M.A.A. Traousis

md