Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
17/2971 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand in verband met toepassing kostendelersnorm. Buitensporige zware last niet aannemelijk gemaakt. Overgangsperiode loopt niet vanaf datum primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2971 PW

Datum uitspraak: 28 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 maart 2017, 15/4641 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 19 maart 2019. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante woont met haar meerderjarige gehandicapte zoon en een ouder echtpaar op het adres [adres] .

1.2.

Bij besluit van 4 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante vanaf 1 juli 2015 verlaagd in verband met toepassing van de kostendelersnorm. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante drie kostendelende medebewoners heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de verlaging van de bijstand een buitensporig zware last vormt in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden EVRM (EP). De verlaging leidt er in het geval van appellante toe dat zij haar deel van de gezamenlijke lasten niet meer kan opbrengen en dientengevolge moet verhuizen, wat ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.1.1.

Voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht is vereist dat het gehanteerde middel proportioneel is en dat de toepassing van de kostendelersnorm niet tot een buitensporig zware last leidt. Of hiervan sprake is moet, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3872 en ECLI:NL:CRVB:2016:3873), individueel worden beoordeeld.

4.1.2.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van de kostendelersnorm in haar geval tot de onder 4.1.1 bedoelde buitensporig zware last leidt. Appellante heeft in dit verband geen concrete gegevens overgelegd over haar inkomsten- en uitgavenpatroon op en na 1 juli 2015, waaruit is op te maken dat sprake is van de door haar gestelde buitensporig zware last. Vergelijk de uitspraak van 13 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1030.

4.2.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de overgangstermijn tussen de aanzegging dat de kostendelersnorm van toepassing is en de daadwerkelijke effectuering te kort is geweest. In dit verband heeft appellante gewezen op het vonnis van de rechtbank Den Haag van

3 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BU9921, en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457. Appellante leidt uit deze uitspraken af dat een aanzegtermijn van zes maanden als redelijk wordt gezien, te rekenen vanaf het primaire besluit. Deze beroepsgrond slaagt op grond van de navolgende overwegingen evenmin.

4.2.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1958) geldt, gelet op het van toepassing zijnde overgangsrecht, voor personen als appellante een overgangsperiode van zes maanden die loopt van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015. Geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat die overgangstermijn in individuele gevallen aanvangt op een ander moment. Uit het door appellante genoemde vonnis en arrest kan niet worden afgeleid dat, bij aanwezigheid van overgangsrecht, de overgangstermijn aanvangt vanaf het primaire besluit.

4.2.2.

Bovendien is het, zoals de Raad eerder heeft overwogen in onder meer zijn uitspraak van 9 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY3507), de eigen verantwoordelijkheid van een betrokkene om zich op de hoogte te stellen van de voor en op zijn uitkering toepasselijke regels.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2019.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A.M. Pasmans

IJ