Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
18-1292 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gesteld (4:5 Awb) in verband met niet overgelegde financiële gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1292 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 mei 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

23 februari 2018, 17/2928 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oss (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Nieuwenhuizen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft, nadat twee eerdere aanvragen om bijstand buiten behandeling waren gesteld, op 17 februari 2017 wederom bijstand aangevraagd, nu op grond van de Participatiewet.

1.2.

Op 10 maart 2017 heeft een intakegesprek plaatsgevonden, waar appellant een uitdraai “Af & Bij” van zijn bankrekening over de periode van 1 januari 2015 tot en met

9 maart 2017 en een door hem zelf opgestelde handgeschreven verklaring over zijn schulden en over hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien, heeft overgelegd. Bij brief van

13 maart 2017 heeft het college appellant om gegevens gevraagd, waarmee hij kan aantonen hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien, alsmede om bankafschriften over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 9 maart 2017. Daar is aan toegevoegd dat het reeds ingeleverde overzicht van de bankrekening niet voldoende is. Omdat appellant de gevraagde gegevens niet had overgelegd, heeft het college bij brief van 24 maart 2017 die gegevens nog een keer opgevraagd en appellant in de gelegenheid gesteld deze vóór 31 maart 2017 in te leveren. Appellant heeft op 29 maart 2017 een e-mailbericht gestuurd, waarin hij verklaart waarvan hij in 2014 heeft geleefd.

1.3.

Bij besluit van 3 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat niet tussen partijen in geschil is dat het college de gevraagde informatie nodig heeft voor de beoordeling van de aanvraag. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het beroepschrift bij de rechtbank heeft appellant gesteld dat hij de (financiële) informatie heeft verstrekt die door het college in redelijkheid van hem kon worden verlangd. Daarmee heeft appellant niet concreet betwist dat de opgevraagde stukken niet nodig waren. Appellant en zijn gemachtigde zijn ook niet ter zitting van de rechtbank verschenen om deze beroepsgrond nader toe te lichten. De beroepsgrond dat de gevraagde stukken niet nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag, slaagt evenmin. De gevraagde gegevens zijn nodig om inzicht te krijgen in de financiële situatie van appellant voorafgaand aan de aanvraag en daarmee ook voor de beoordeling van zijn recht op bijstand. Hiervoor is niet alleen van belang dat de bij- en afschrijvingen van de bankrekening inzichtelijk worden gemaakt, maar ook de saldi per maand.

4.3.

Ook de beroepsgrond dat het college de aanvraag in ieder geval inhoudelijk had moeten beoordelen op grond van de wel door appellant verstrekte gegevens slaagt niet. Nu de door appellant niet verstrekte gegevens, zo volgt uit 4.2, nodig zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand, kon het college zich op het standpunt stellen dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende waren voor de beoordeling van de aanvraag.

4.4.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. Wat appellant heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2019.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) A.M. Pasmans

JL