Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
17/3946 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-dagloon juist vastgesteld. Geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/195
RSV 2019/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3946 WAO

Datum uitspraak: 22 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

18 april 2017, 16/3743 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens [betrokkene] heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp hoger beroep ingesteld.

Na het overlijden van [betrokkene] op [overlijdensdatum] 2017 heeft mr. Arentz-Veldkamp de procedure voortgezet namens appellanten.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019. Appellanten zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

[betrokkene] is met ingang van 24 oktober 1980 in aanmerking gebracht voor een uitkering

op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2.

Met ingang van 9 juni 1992 is [betrokkene] naast deze WAO-uitkering gaan werken bij

NPI in de functie van assistent-bibliothecaresse voor 36 uur per week. Op 14 oktober 2013 heeft zij zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld. Op 21 juli 2015 heeft [betrokkene] een aanvraag ingediend om herziening van haar WAO-uitkering. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 12 november 2015 heeft het Uwv de WAO-uitkering van [betrokkene] met ingang van 12 oktober 2015 verhoogd naar € 1.928,57 bruto per maand. Bij afzonderlijk besluit van 12 november 2015 heeft het Uwv het (vervolg)dagloon gewijzigd en vastgesteld op € 118,22.

1.3.

Bij besluit van 30 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het

laatstgenoemde besluit van 12 november 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene] tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de artikelen 19aa en 40 van de WAO heeft de rechtbank overwogen dat voorwaarde voor het hernieuwd vaststellen van het dagloon is dat de hernieuwde vaststelling van het dagloon leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen WAO-uitkering in aanmerking werd genomen. De wetgever heeft daarmee willen voorkomen dat de WAO-gerechtigde door de hernieuwde vaststelling van het dagloon in een nadelige positie terecht zou kunnen komen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de
WAO-uitkering op juiste wijze overeenkomstig de artikelen 14, 19aa en 40 van de WAO heeft berekend. [betrokkene] ontvangt al een WAO-uitkering zodat geen tweede (nieuw) recht op een WAO-uitkering kan ontstaan. Het Uwv heeft het dagloon gebaseerd op de inkomsten uit dienstverband in de periode 1 oktober 2012 tot 1 oktober 2013 en vastgesteld op € 118,22. De over deze periode ontvangen WAO-uitkering is op grond van artikel 40, eerste lid, tweede volzin, van de WAO terecht buiten beschouwing gelaten. Niet in geschil is dat het per
12 oktober 2015 berekende dagloon hoger is dan het dagloon waarnaar de lopende
WAO-uitkering werd betaald, zodat voldaan is aan de voorwaarde dat [betrokkene] door het opnieuw vaststellen van het dagloon niet in een nadeligere positie is komen te verkeren. De nieuwe per 1 juli 2013 geldende regeling valt voor [betrokkene] ongunstiger uit, echter de wetsgeschiedenis biedt naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. De Dagloonregelen WAO waarnaar [betrokkene] heeft verwezen zijn per 1 januari 2006 komen te vervallen.Aan het overgangsrecht van artikel 98d van de WAO kan naar het oordeel van de rechtbank geen aanspraak worden ontleend op toepassing van de Dagloonregelen WAO. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van schending van het loondervingsbeginsel noch van een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht als neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1.

Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat bij de herziening van het dagloon ten onrechte geen rekening is gehouden met het reeds bestaande WAO-recht vanuit de eerdere dienstbetrekking als ziekenverzorger, terwijl dat vóór 1 juli 2013 wel meetelde. Dit leidt tot een forse benadeling. Het gewijzigde artikel 40, eerste lid, van de WAO leidt er volgens appellanten toe dat het loondervingsbeginsel als grondslag voor de berekening van het dagloon wordt losgelaten. Ook heeft de wetgever onvoldoende oog gehad voor de financiële gevolgen van deze wetswijziging. Door geen rekening te houden met de in de referteperiode ontvangen WAO-uitkering is sprake van strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en wordt inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 14, eerste lid, van de WAO wordt voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.

4.1.2.

Bij wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013), in werking getreden op 1 juli 2013, is artikel 19aa in de WAO gevoegd en is artikel 40, eerste lid van de WAO gewijzigd.

4.1.3.

Op grond van artikel 19aa van de WAO heeft de verzekerde geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan reeds recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft.

4.1.4.

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de WAO wordt het dagloon van de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa, met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 wordt bij de dagloonvaststelling, bedoeld in de eerste zin, de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet niet aangemerkt als loon.

4.2.

In de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW 2013, Kamerstukken II 2012/13, 33 556, nr 3, blz. 10 en 11 is bij de voorgestelde wijziging van artikel 40, eerste lid, van de WAO, het volgende vermeld:

‘‘Het is wenselijk te regelen dat het WAO-dagloon kan worden verhoogd als aan de voorwaarden voor een (nieuw) recht op WAO-uitkering is voldaan, maar dat recht niet ontstaat omdat betrokkene reeds een WAO-uitkering heeft. Het voorstel is om dat expliciet te regelen in artikel 40, eerste lid, WAO, omdat het criterium “toegenomen arbeidsongeschiktheid” tot onbillijke uitkomsten kan leiden als gevolg van de regeling van artikel 44 WAO. Het voorgestelde artikel 40, eerste lid, WAO brengt mee dat het Uwv moet vaststellen of aan de voorwaarden voor het ontstaan van een (tweede) recht op
WAO-uitkering is voldaan alsof er geen (eerste) recht op WAO-uitkering bestaat. In dat geval kan het dagloon worden herzien, mits het dagloon van het (tweede) niet ontstane recht hoger zou zijn geweest dan het dagloon van het (eerste) bestaande recht. Om dit goed te regelen wordt, evenals in de Wet WIA, expliciet in artikel 19aa WAO geregeld dat geen nieuw, tweede recht op WAO-uitkering kan ontstaan.’’

In de nota naar aanleiding van het verslag is vermeld dat de verhoging van het dagloon van het WAO-recht plaatsvindt als de verzekerde met werken gemiddeld per dag meer verdiende dan zijn (oorspronkelijke) dagloon. De regeling kan derhalve alleen voordelig uitpakken voor een WAO-gerechtigde (Kamerstukken II 2012-2013, 33556, nr 6, blz 11).

4.3.

Tussen partijen is uitsluitend de hoogte van het dagloon met ingang van 12 oktober 2015, waarop de WAO-uitkering is gebaseerd, in geschil.

4.4.

Wat appellanten in hoger beroep aanvoeren is in essentie een herhaling van wat eerder in bezwaar en beroep naar voren is gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en heeft met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.5.

Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat de wetgever onvoldoende oog heeft gehad voor de financiële gevolgen van het gewijzigde artikel 40 van de WAO. Uit de wetgeschiedenis volgt dat het uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest de WAO-uitkering niet mee te tellen als loon bij de herziene vaststelling van het dagloon. De toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO leidt op zichzelf niet tot een nadeligere situatie. Immers, naar niet in geschil is, is het dagloon met ingang van 12 oktober 2015 hoger dan het dagloon waarnaar de WAO-uitkering eerder werd berekend. Dat [betrokkene] er in dagloon minder op vooruit gaat dan het geval zou zijn geweest als de lopende WAO-uitkering wel zou meetellen, heeft niet tot gevolg dat geoordeeld moet worden dat het loondervingsbeginsel is geschonden.

4.6.

Het gewijzigde artikel 40, eerste lid, van de WAO is in werking getreden op 1 juli 2013. Op het moment dat [betrokkene] zich op 14 oktober 2013 (weer) ziek meldde gold deze bepaling dus al. Appellanten kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun stelling dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden.

4.7.1.

Ten slotte moet worden beoordeeld of de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO strijdig is met het recht op bescherming van het ongestoord genot van eigendom als gewaarborgd door artikel 1 van het Eerste Protocol. In de eerste twee volzinnen van artikel 1 van het Eerste Protocol is bepaald dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom (“possessions”). Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Onder “possessions” moet niet alleen worden verstaan bestaande bezittingen, maar ook vermogensbestanddelen, met inbegrip van aanspraken, met betrekking waartoe de betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd. Alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of artikel 1 van het Eerste Protocol is geschonden, dient eerst te worden beoordeeld of er sprake is van “possessions”.

4.7.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene] ten tijde van de inwerkingtreding van artikel 40, eerste lid, van de WAO op 1 juli 2013 de wachttijd van 104 weken niet had volgemaakt. De wachttijd is immers pas aangevangen op 14 oktober 2013. Op 1 juli 2013 kon [betrokkene] dan ook geen rechten ontlenen aan het tot dat moment geldende artikel 40, eerste lid, van de WAO. Van ontneming van een bestaand recht op een hogere WAO-uitkering als gevolg van de wetswijziging per 1 juli 2013 is dan ook geen sprake.

4.7.3.

Evenmin had [betrokkene] op 1 juli 2013 een legitieme verwachting dat de berekening van het dagloon zou geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de WAO, zoals dit gold vóór 1 juli 2013, dus met meetelling van haar WAO-uitkering. Zij kon er integendeel mee bekend zijn dat na het doorlopen van de wachttijd toepassing zou worden gegeven aan artikel 40, eerste lid, van de WAO, zoals dit luidde vanaf 1 juli 2013, en dat dus haar WAO-uitkering niet meegeteld zou worden bij de berekening van het dagloon.

4.7.4.

Gelet op 4.7.2 en 4.7.3 is er geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol.

4.8.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.7.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

Griffier is verhinderd te ondertekenen.

KS