Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
18/3242 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3514, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing kostendelersnorm. Niet kennelijk aannemelijk gemaakt dat ingeschreven medebewoner niet daadwerkelijk woonde op uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/190 met annotatie van Red.
JWWB 2019/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3242 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 mei 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2018, 17/4359 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Özveren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 juni 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Appellante staat sinds 1 februari 1993 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een op 28 december 2016 ontvangen formulier ‘Wijziging medebewoner’ heeft een medewerker van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Rotterdam (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader heeft de medewerker het BRP geraadpleegd en vastgesteld dat op 5 januari 2017

[X] (X), de zoon van appellante, geboren [in] 1978, zich op het uitkeringsadres heeft ingeschreven.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 5 januari 2017 herzien in verband met toepassing van de kostendelersnorm. Hieraan ligt ten grondslag dat X vanaf 5 januari 2017 als kostendelende medebewoner dient te worden aangemerkt. Om die reden wordt de bijstandsuitkering verlaagd naar 50% van de gehuwdennorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de kostendelersnorm is voldaan, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij genoodzaakt was om X - die bekend is met verslavingsproblematiek - op het uitkeringsadres in te schrijven, omdat hij een zorgverzekering moest afsluiten in verband met het volgen van een medisch traject. Appellante heeft echter niet op enig moment de woning gedeeld met een persoon van 21 jaar of ouder met wie zij de kosten heeft kunnen delen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft op eigen initiatief een formulier ‘Wijziging medebewoner’ ingezonden. Omdat dit formulier niet volledig was ingevuld, heeft de medewerker de BRP geraadpleegd en vastgesteld dat X sinds 5 januari 2017 op het uitkeringsadres staat ingeschreven. Gelet hierop mocht het college er in beginsel van uitgaan dat X op het uitkeringsadres zijn hoofdverblijf had. De stelling dat X slechts op haar adres stond ingeschreven, maar er niet daadwerkelijk woonde, heeft appellante in beroep noch in hoger beroep onderbouwd.

4.3.

Verder heeft appellante aangevoerd dat geen redelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De toepassing van de kostendelersnorm is dwingendrechtelijk van aard, zodat er geen ruimte is voor een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2019.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ