Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
18/6268 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om in aanmerking te worden gebracht voor een zogenaamde ‘omklapwoning’, ook wel UMO-woning genoemd, terecht afgewezen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellante. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht anders te beslissen. Geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/6268 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 november 2018, 18/6100 en 18/5338 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 29 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Roo. Het college is vertegenwoordigd door mr. E.T. ’t Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante verblijft vanaf september 2017 met haar kinderen in een opvang voor dakloze gezinnen aan de [adres] .

1.2.

Op 1 mei 2018 heeft appellante het college verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor een zogenaamde ‘omklapwoning’, ook wel UMO-woning genoemd.

1.3.

Het college heeft dat verzoek in een besluit van 17 mei 2018 afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.4.

Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard in een besluit van 15 augustus 2018 (bestreden besluit). Appellante krijgt geen maatschappelijke opvang (lees: maatwerkvoorziening opvang) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) omdat zij voldoende zelfredzaam is. Omdat appellante deze opvang niet krijgt, kan zij niet in aanmerking komen voor het eindtraject hiervan: een ‘omklapwoning’. De geboden opvang aan de [adres] is noodopvang. Dat is een algemene voorziening. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat appellante niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening opvang, omdat zij voldoende zelfredzaam is.

3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en is in hoger beroep gekomen. De opvang in de [adres] is, anders dan het college en de rechtbank menen, wel een maatwerkvoorziening. Voorafgaand aan de toelating tot deze opvang heeft namelijk een onderzoek plaatsgevonden naar de persoonskenmerken en behoeften van appellante en haar gezin, de vraag of zij een netwerk hebben waar ze onderdak kunnen krijgen, de financiële mogelijkheden om in opvang te voorzien en de vraag of appellante in staat was het woonprobleem op te lossen. Bovendien wordt tijdens deze opvang intensieve begeleiding geboden van standaard drie uren per week. Het gezin voldoet ook aan het wettelijke criterium ‘de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn op eigen kracht onderdak te verwerven’. Volgens het beleid van de gemeente Amsterdam is de verstrekte maatwerkvoorziening opvang aan de [adres] na drie maanden niet meer passend en moet de meer passende voorziening van doorstroom of uitstroom worden toegekend. Het is in strijd met artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) om kinderen langer dan drie maanden in deze opvang te laten blijven. Ten slotte beroept appellante zich op de hardheidsclausule.

4. Het college heeft verweer gevoerd. Appellante komt niet voor een maatwerkvoorziening opvang in aanmerking omdat zij voldoende zelfredzaam is. Dat wordt ondersteund door de diverse trajectplannen. Zij krijgt de noodopvang aan de [adres] omdat de gemeente Amsterdam het beleid voert om gezinnen niet op straat te laten. Dit beleid voert de gemeente in verband met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die opvang is geen maatwerkvoorziening. Een ‘omklapwoning’/’uitstroomwoning’ kan onder de Wmo 2015 eerst worden toegekend nadat men ingestroomd is en is het sluitstuk van de maatwerkvoorziening opvang. De gemachtigde van het college heeft er tijdens zitting op gewezen dat het los van het voorliggende geschil, vanwege het nijpende woningtekort in de gemeente Amsterdam, te betwijfelen valt of een ‘omklapwoning’ op korte termijn beschikbaar is.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1.

In artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is, voor zover van belang, bepaald dat onder opvang wordt verstaan onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

In artikel 2.3.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015 is, voor zover van belang, bepaald dat het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang. In het vierde lid is, voor zover hier van belang, bepaald dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

5.2.1.

In de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2018 is voor maatwerkvoorzieningen in 4.6 opgenomen dat er in de opvang meerdere clusters zijn te onderscheiden. Dit is verder uitgewerkt in het Handboek maatschappelijke opvang. Zoals reeds beschreven in de uitspraak van de Raad van 4 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2106) werkt de gemeente Amsterdam onder meer met een zogenaamde Uitstroomtafel of UMO-tafel waarbij betrokkenen aanspraak kunnen maken op urgentie voor een woning. Een betrokkene wordt bij de UMO-tafel aangemeld via de zorgorganisatie waar hij verblijft. Als de

UMO-tafel van oordeel is dat een betrokkene voldoet aan de criteria voor uitstroom, wordt deze op de wachtlijst ‘actieve bemiddeling’ in Woningnet geplaatst. De corporaties hebben inzicht in die wachtlijst. Wanneer een woning vrij komt, koppelt de corporatie deze aan de eerst passende betrokkene. Na acceptatie van de woning door een betrokkene wordt een woon-zorgovereenkomst getekend. De woning komt op naam van de zorgorganisatie en de betrokkene betaalt huur aan die organisatie. Als een betrokkene een jaar heeft gewoond in de UMO-woning vindt een evaluatie plaats. Besloten kan worden de begeleiding te verlengen of de woning ‘om te klappen’ op naam van de betrokkene. Als dat gebeurt, wordt de woning op naam van betrokkene gezet en zal de begeleiding worden voortgezet door wijkzorg, als dat niet al is gebeurd.

5.2.2.

Daarmee wordt de stelling van het college ondersteund dat een ‘omklapwoning’/’uitstroomwoning’ onder de Wmo 2015 eerst kan worden toegekend nadat men ingestroomd is en dat het het sluitstuk vormt van de maatwerkvoorziening opvang.

5.3.

De strekking van het betoog van appellante is dat de verstrekte opvang, gelet op het onderzoek dat daaraan voorafgaand heeft plaatsgevonden en de geboden begeleiding, moet worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening opvang. Dit betoog slaagt niet. De enkele omstandigheid dat onderzoek heeft plaatsgevonden, maakt niet dat het college aan appellante een maatwerkvoorziening heeft verstrekt. Uit het bestreden besluit blijkt juist dat het college zich op het standpunt stelt dat uit het onderzoek, dat op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 na een melding dient plaats te vinden, naar voren is gekomen dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor een maatwerkvoorziening opvang en het verzoek daartoe werd afgewezen. Ook de omstandigheid dat begeleiding wordt geboden, leidt niet tot de conclusie dat een maatwerkvoorziening opvang is verstrekt.

5.4.

Ook de beroepsgrond van appellante dat zij voldoet aan het wettelijk criterium voor opvang en aan haar daarom een maatwerkvoorziening opvang had moeten worden verstrekt, slaagt niet. Het op 27 maart 2018 bijgewerkte trajectplan laat op de verschillende leefgebieden een evenwichtig beeld van appellante zien. Gelet hierop valt niet in te zien dat appellante zich ten tijde van de voorliggende besluitvorming niet op eigen kracht in de samenleving kon handhaven. Dat zij er nog niet in is geslaagd om een eigen woning te vinden, maakt dat niet anders.

5.5.

Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellante. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht anders te beslissen.

5.6.

Niet is gebleken van omstandigheden die het college aanleiding hadden moeten geven om de hardheidsclausule toe te passen.

5.7.

Wat hiervoor is overwogen leidt tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak.

6. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) J.R. Trox

IJ