Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
17/6788 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De hoogte van het AOW-pensioen terecht op 4% van het maximale pensioen. Partnertoeslag terecht geweigerd. Begrip verzekerde. Terecht vastgesteld dat appellant alleen in de periode van 4 november 1988 tot en met 15 mei 1990 verzekerd is geweest voor de AOW. Voor het overige zijn er geen aanknopingspunten om appellant wegens wonen of werken in Nederland verzekerd te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6788 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 september 2017, 17/1101 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , [provincie] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 23 mei 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft bij de Svb een aanvraag ingediend om toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij van 1976 tot en met 2007 in Nederland heeft gewoond en gewerkt.

1.2.

Bij besluit van 14 september 2016 heeft de Svb aan appellant met ingang van

1 oktober 2015 een pensioen ingevolge de AOW toegekend. De hoogte van het pensioen is vastgesteld op 4% van het maximale pensioen.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 september 2016 is bij besluit van 17 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet verzekerd is voor de AOW over de periode vanaf 1 oktober 1965 tot en met 3 november 1988 en van 16 mei 1990 tot en met 30 september 2015 en dat geen recht bestaat op toeslag omdat appellant vóór 1 januari 2015 nog geen recht had op AOW-pensioen.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is terecht vastgesteld dat appellant alleen in de periode van 4 november 1988 tot en met 15 mei 1990 verzekerd is geweest voor de AOW. Voor het overige zijn er geen aanknopingspunten om appellant wegens wonen of werken in Nederland verzekerd te achten. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat terecht geen partnertoeslag is toegekend, omdat het recht op partnertoeslag met ingang van

1 januari 2015 is komen te vervallen en appellant pas na die datum pensioengerechtigd is geworden.

3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het pensioen te laag is vastgesteld en ten onrechte geen toeslag is toegekend. Aangevoerd is dat de echtgenote van appellant geen werk verricht en geen inkomsten heeft.

3.2.

De Svb heeft gesteld dat appellant geen recht heeft op toeslag of op een hoger pensioen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het AOW-pensioen wordt onderschreven. Er is geen aanleiding tot een andere conclusie te komen dan de rechtbank over de periodes waarvan de Svb heeft vastgesteld dat appellant daarin niet verzekerd is voor de AOW. In hoger beroep heeft appellant geen gegevens overgelegd die tot twijfel aan de juistheid van deze conclusie zouden kunnen leiden.

4.2.

Ook het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toeslag wordt gevolgd. In artikel 8, eerste lid, van de AOW is bepaald dat de pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op een toeslag. Nu appellant eerst met ingang van oktober 2015 recht heeft op een ouderdomspensioen, voldoet hij niet aan de in artikel 8, eerste lid, van de AOW vermelde voorwaarden.

4.3.

Uit overweging 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

md