Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
18/1391 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier terecht afgewezen. Het college heeft in navolging van de medisch adviseurs dan ook voldoende gemotiveerd dat appellante niet op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Appellante komt evenmin op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1391 BABW

Datum uitspraak: 29 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 januari 2018, 17/967 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kreutzkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.B. Suzenaar-Hocks.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is onder andere bekend met chronische knie- en heupklachten en met duizeligheidsklachten. Zij heeft op 22 oktober 2014 bij het college een aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier ingediend.

1.2.

Medisch adviseur P. van Eck van de MO-zaak heeft op verzoek van het college onderzoek verricht en de bevindingen van dit onderzoek neergelegd in een advies van 12 januari 2015. De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een gehandicapten parkeerkaart voor een passagier. Haar maximale loopafstand is 20 tot 30 meter, maar zij is niet van deur tot deur afhankelijk van de bestuurder. Zij kan ergens worden afgezet en wachten op de bestuurder die de auto regulier parkeert.

1.3.

Bij besluit van 6 februari 2015 heeft het college de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar het advies van de MO-zaak van 12 januari 2015. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

In de bezwaarfase heeft medisch adviseur J. Bosch van de MO-zaak opnieuw onderzoek verricht en de bevindingen van dit onderzoek neergelegd in een advies van 15 juni 2015. Deze medisch adviseur heeft onder verwijzing naar informatie van de huisarts en de orthopeed van appellante hetzelfde geconcludeerd als is verwoord in het advies van 12 januari 2015.

1.5.

Appellante heeft in de bezwaarfase een medisch rapport van J. Verhoeven, arts verbonden aan Argonaut, van 9 september 2016 overgelegd. Deze arts heeft geconcludeerd dat de duizeligheidsklachten geen verhoogd risico op vallen geven als appellante zit. Appellante is niet continu aangewezen op begeleiding of hulp en is medisch gezien in staat om enige tijd alleen zittend (bijvoorbeeld op haar rollator) te wachten op begeleiding.

1.6.

Bij besluit van 31 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2015 ongegrond verklaard. Daaraan is, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde medische adviezen, ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling) voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om de adviezen van de MO‑zaak onzorgvuldig of onvolledig te achten. De arts van Argonaut is tot dezelfde conclusie gekomen als de artsen van de MO-zaak, namelijk dat appellante niet voldoet aan de criteria voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Uit die adviezen blijkt dat appellante een loopafstand van 20 tot 30 meter heeft, maar dat zij niet van deur tot deur afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij voor haar vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de bestuurder. Naast haar duizeligheidsklachten heeft zij inmiddels ook hartklachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

4.2.

Deze regeling is de eerder onder 1.6 genoemde Regeling. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling is bepaald dat voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling is, voor zover hier van belang, bepaald dat bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen.

4.3.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag als hier aan de orde bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de Raad nadien ontstane hartklachten van appellante niet in de beoordeling kan betrekken.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante voldoet aan de in artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling genoemde voorwaarde dat zij een loopbeperking heeft van langdurige aard waardoor zij in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. In geschil is of appellante voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

4.5.

Zowel de medisch adviseurs van de MO-zaak als de door appellante ingeschakelde arts van Argonaut, concluderen dat appellante niet van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Daarbij zijn de duizeligheidsklachten van appellante betrokken. De Raad is niet gebleken dat de medisch adviseurs de medische situatie van appellante onvoldoende hebben onderzocht dan wel hebben onderschat. De medisch adviseurs van de MO-zaak zijn tot hun conclusies gekomen op basis van een spreekuurbezoek, informatie van de huisarts en informatie van de specialist. Het college heeft in navolging van de medisch adviseurs dan ook voldoende gemotiveerd dat appellante niet op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier.

4.6.

Appellante komt evenmin op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier in aanmerking. Voor een geslaagd beroep op dit artikelonderdeel moet het voor betrokkene – om andere reden dan een loopbeperking – ondoenlijk zijn om de afstand te overbruggen tussen een gewone parkeerplaats en de bestemming. Zoals de gemachtigde van appellante ter zitting heeft bevestigd, is het voor appellante ondoenlijk om deze afstand te overbruggen vanwege haar loopbeperking en niet om een andere reden dan haar loopbeperking.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) L. Boersma

lh