Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
16/4709 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Deugdelijk gemotiveerd dat in de FML voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. Geschiktheid van de geselecteerde functies afdoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4709 WIA

Datum uitspraak: 29 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2016, 15/3356 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 26 januari 2017 heeft mr. Appelman zich als gemachtigde onttrokken. Bij brief van 24 april 2017 heeft mr. M.J. Meulenberg-ten Hoor zich gesteld als gemachtigde. Zij heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als woonbegeleider gehandicapten voor 20 uur per week. Zij heeft zich op 18 februari 2013 ziek gemeld. Naar aanleiding van de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft op 26 november 2014 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante ongeschikt is voor haar arbeid en heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 28,12%. Bij besluit van 22 december 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 16 februari 2015 geen recht is ontstaan op een WIA‑uitkering.

1.2.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante in aansluiting op de hoorzitting medisch onderzocht. Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van 1 juli 2015 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 7 juli 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen zoals die zijn weergegeven in de FML van 26 november 2014. De conclusies die de verzekeringsartsen hebben getrokken zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk en er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat zij de beperkingen van appellante hebben onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat andere externe factoren hebben meegespeeld bij het verschil in de beoordelingen in het kader van de Ziektewet en de Wet WIA en daarnaast is daar geruime tijd tussen gelegen, hetgeen eventuele verschillen kan verklaren. Verder heeft het Uwv afdoende gemotiveerd waarom orthopedisch chirurg Ham niet kan worden gevolgd in de door hem aangegeven beperkingen. De door appellante overgelegde medische stukken bieden volgens de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om haar stelling dat zij meer beperkt is dan is aangenomen, te onderbouwen. De rechtbank heeft daarom tevens geoordeeld dat de arbeidskundige gronden, die gekoppeld zijn aan de medische beperkingen, niet slagen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de aanwezige medische stukken blijkt dat zij duidelijk beperkingen ondervindt als gevolg van meerdere bij haar vastgestelde aandoeningen. Bij appellante is onder meer CVS vastgesteld zoals volgt uit het rapport van 7 oktober 2016 van cardioloog F.C. Visser. Aan de daaruit volgende vermoeidheidsproblematiek is volgens appellante onvoldoende aandacht besteed. Het Protocol CVS is niet gevolgd en het Uwv heeft haar medische situatie ten onrechte niet getoetst aan het Advies van de Gezondheidsraad ME/CVS van 19 maart 2018 (Gezondheidsraad 2018; publicatienr. 2018/07). Als gevolg van de gestelde diagnosen heeft appellante fysieke, cognitieve en psychische klachten. Zij verwijst daarbij naar de door haar overgelegde stukken waaruit volgens appellante meer beperkingen volgen dan nu in de FML in acht zijn genomen. Zo nodig moet een deskundige worden benoemd. Als gevolg van haar beperkingen zijn volgens appellante geen van de geselecteerde functies voor haar geschikt. Appellante heeft daarnaast gevraagd het Uwv te veroordelen tot vergoeding van haar schade waaronder de wettelijke rente en heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank met juistheid het beroep ongegrond heeft verklaard tegen het bestreden besluit waarin het Uwv heeft geweigerd aan appellante met ingang van 16 februari 2015 een WIA-uitkering toe te kennen.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat appellante in de hogerberoepsgronden en ter zitting van de Raad aan klachten heeft vermeld, is in lijn met de klachten die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 1 juli 2015, 17 oktober 2015, 15 april 2016, 3 januari 2017, 26 juni 2018 en 2 oktober 2018 kenbaar in de afweging heeft betrokken.

4.3.

Wat over de medische beoordeling door de rechtbank is overwogen, wordt onderschreven. Het Uwv heeft met de in 4.2 genoemde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van 26 november 2014 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep nieuwe medische informatie van cardioloog Visser overgelegd. Deze informatie tast het oordeel van de rechtbank over de medische beoordeling door het Uwv niet aan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat de beschrijving van de bevindingen en vermelde waardes van de kanteltafeltest op grond waarvan Visser orthostatische intolerantie en POTS (postural (orthostatic) tachycardia syndrome) heeft vastgesteld, de vraag opwerpen of sprake is van een klinisch relevant verschil. Ook bij de geheugentest ontbreekt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een statische verantwoording. Daarnaast ontbreekt een bepaling (zowel van perfusie als van de geheugentest) na optreden van volledig herstel. Het ligt volgens hem dan ook veel meer voor de hand dat Visser een volkomen normale fysiologische reactie beschrijft. De informatie van de cardioloog leidt niet tot het oordeel dat de beperkingen van appellante in de FML zijn onderschat. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:275) is de enkele verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad van 19 maart 2018 onvoldoende om meer of in algemene zin beperkingen aangewezen te achten, omdat dit advies van algemene aard is en niet ingaat op de situatie van de individuele betrokkene. Het naar aanleiding van het advies ME/CVS tot stand gebrachte Uwv‑uitvoeringsbericht ma 2018/001 B&B van 3 augustus 2018, waarin het uitvoeringsbeleid naar aanleiding van het door de Gezondheidsraad uitgebrachte advies ME/CVS is beschreven, geeft geen aanleiding tot een andere conclusie. In dat beleid wordt ME/CVS erkend als ziekte en wordt in het kort beschreven dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek omvat: de bestudering van het dossier, een beoordelingsgesprek waarin de klachten worden geïnventariseerd en de mogelijkheden tot functioneren worden onderzocht, een medisch onderzoek, zo nodig overleg met derden en het inwinnen van informatie bij behandelaars. De klachten worden serieus genomen en ME/CVS wordt niet op een andere wijze beoordeeld dan andere ziekten, waarbij de beoordeling wordt ondersteund door een professionele richtlijn. Het volgen van een behandeling wordt gestimuleerd en het enkele feit dat een betrokkene in overleg met een behandelaar afziet van cognitieve gedragstherapie is geen reden om aanspraak op sociale zekerheid te onthouden. De aldus in het uitvoeringsbericht beschreven beoordeling is in overeenstemming met de eisen die in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten worden gesteld aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, ter beoordeling van de vraag welke beperkingen in aanmerking moeten worden genomen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling. Het in dit geval door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verrichte onderzoek, zoals in het rapport van 1 juli 2015 is beschreven, en de in de aanvullende rapporten door deze arts gegeven toelichtingen, zijn in lijn met dit uitvoeringsbericht tot stand gekomen. De diagnose ME/CVS (matige vorm) van appellante is bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep en hij heeft in zijn rapporten afdoende gemotiveerd uiteengezet dat er voor appellante voldoende beperkingen zijn aangenomen. Gelet op dit oordeel is er geen aanleiding om een deskundige in te schakelen, zoals door appellante is verzocht.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 26 november 2014 wordt met de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Wat betreft de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat deze afdoende is gemotiveerd. Verwezen wordt naar het Resultaat functiebeoordeling van de voorbeeldfuncties en de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante in het rapport van 7 juli 2015.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om vergoeding van schade, anders dan schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, zal worden afgewezen.

Redelijke termijn

5.1.

Over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt als volgt overwogen.

5.2.

Voor de wijze van beoordeling van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

5.3.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er − op zijn minst − een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten (zie de uitspraak van de Raad van 4 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643). Doorgaans is dit het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (zie meergenoemde uitspraak van de Raad van 26 januari 2009).

5.4.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 30 januari 2015 tot de datum van deze uitspraak is bijna vier jaar en vier maanden (52 maanden) verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna zes maanden geduurd, dus in de bestuurlijke fase was er geen overschrijding van de redelijke termijn. Vanaf de ontvangst door de rechtbank van het beroepschrift van appellante op 27 juli 2015 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ongeveer elf maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 15 juli 2016 van het hoger beroepschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak bijna 35 maanden geduurd.

5.5.

Nu de totale behandelingsduur 48 maanden mocht bedragen, terwijl tot de datum van deze uitspraak bijna 52 maanden zijn verstreken, is de redelijke termijn met bijna vier maanden overschreden, welke overschrijding voor rekening komt van de Raad. In de omstandigheden van het geval is geen aanleiding om deze overschrijding geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. De Staat zal daarom worden veroordeeld tot betaling aan appellante van € 500,-.

6. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 512,- voor verleende rechtsbijstand. Voor vergoeding van andere proceskosten van appellante bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 512,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.R. Trox

VC