Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
18/2718 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene er niet in geslaagd is het verlangde bewijs te leveren. Met de verklaringen van haar vader en opa is geen onomstotelijk bewijs geleverd. Dat geldt ook als deze worden bezien in samenhang met de in hoger beroep overgelegde verklaring van de buren, nu die verklaring onvoldoende gedetailleerd is. Ander objectief bewijs ontbreekt. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/2718 WSF

Datum uitspraak: 29 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 april 2018, 17/8423 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2019. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

[naam 1] en [naam 2].

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene stond vanaf 12 september 2016 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres 1] in [woonplaats] . Betrokkene heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 oktober 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 12 juni 2017, 21 juni 2017 en 4 september 2017 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van betrokkene. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.3.

Bij besluit van 29 september 2017, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van

30 november 2017 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan betrokkene toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2016 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is in totaal een bedrag van € 2.492,52 van haar teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van haar eigen verklaring vaststaat dat betrokkene op het moment van de controle op 4 september 2017 niet (meer) woonachtig was op het brp-adres. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat met het door betrokkene ingebrachte bewijs voldoende vaststaat dat zij tot medio juni 2017 wel op het brp-adres heeft gewoond. De minister had daarom aanleiding moeten zien in zoverre de hardheidsclausule toe te passen. De herziening en terugvordering hadden daarom moeten worden beperkt tot de periode juli tot aan de datum waarop zij werd ingeschreven onder het adres [adres 2] in

[woonplaats] .

3. De minister heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd, want voldoende vaststaan is een lichtere maatstaf dan onomstotelijk vaststaan. Hantering van de juiste maatstaf zou tot een ander oordeel hebben moeten leiden. Betrokkene heeft niet – zoals zou hebben gemoeten – onomstotelijk bewezen dat zij tot medio juni 2017 op het brp-adres heeft gewoond. De verklaringen van haar familieleden zijn niet ondersteund met objectief ander bewijs.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Uitgangspunt bij een belastend besluit, zoals een hier aan de orde zijnde herziening, is dat de bewijslast in eerste instantie op het bestuursorgaan rust. De minister moet aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Uit de wettelijke systematiek, zoals uitgebreid beschreven in de uitspraak van de Raad van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, vloeit voort dat de op de minister rustende bewijslast beperkt is tot het aannemelijk maken dat de studerende op een bepaald moment niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Is dat bewijs door de minister geleverd dan wordt, ingevolge de werking van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, door de wetgever vermoed dat ook in de daaraan voorafgaande periode niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Het wettelijk vermoeden wordt alleen opzij gezet indien de studerende onomstotelijk bewijs levert waaruit blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het adres waaronder zij op dat moment ingeschreven was. Dat brengt mee dat de minister slechts gehouden is van herziening over de aan het huisbezoek voorafgaande periode af te zien als betrokkene erin slaagt onomstotelijk te bewijzen dat zij wel op het brp-adres heeft gewoond.

4.3.

Van de studerende die onomstotelijk bewijs moet leveren, worden bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan de controle wel op het brp-adres moet hebben gewoond. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1246.

4.4.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene er niet in geslaagd is het verlangde bewijs te leveren op grond waarvan voorbij moet worden gegaan aan het onder 4.1 beschreven wettelijk vermoeden. Hoewel het, gelet op de door betrokkene geschetste feiten niet onwaarschijnlijk is dat zij tijdelijk bij haar opa heeft gewoond, is met de verklaringen van haar vader en opa geen onomstotelijk bewijs geleverd. Dat geldt ook als deze worden bezien in samenhang met de in hoger beroep overgelegde verklaring van de buren, nu die verklaring onvoldoende gedetailleerd is. Ander objectief bewijs ontbreekt. De Raad wijst volledigheidshalve op zijn uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1687, (overweging 4.5.3) in een voor zover hier van belang vergelijkbaar geval.

4.5.

Wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) M. Graveland

md