Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
17/5898 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6123, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig. Voldoende informatie beschikbaar om te concluderen dat medisch geen beperkingen konden worden aangetoond. Appellante is daarom medisch gezien geschikt om op 6 november 2016 haar arbeid te verrichten. Wat door appellante in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5898 ZW

Datum uitspraak: 29 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus 2017, 17/380 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Baaren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen drs. I. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als officemanager voor 38 uur per week. Haar dienstverband is op 31 oktober 2015 geëindigd. Appellante heeft zich op 23 november 2015 ziek gemeld met diverse lichamelijke klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 31 oktober 2016 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 6 november 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van officemanager. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2016 vastgesteld dat appellante per 6 november 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 januari 2017 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank berust het bestreden besluit op zorgvuldig onderzoek van het Uwv en heeft het Uwv in de door appellante overgelegde gegevens van de haar behandelend artsen terecht geen aanleiding gezien de belastbaarheid van appellante op de datum in geding bij te stellen. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellante geschikt is voor haar eigen werk, omdat er geen objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden die haar klachten verklaren.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante – kort weergegeven – aangevoerd dat haar klachten wel medisch objectiveerbaar zijn, omdat deze door het Uwv worden erkend. Ter onderbouwing van haar maagklachten heeft appellante informatie overgelegd van een ziekenhuisopname op 29 juli 2017 in verband met een nader darmonderzoek, waaruit blijkt dat sprake is van maagontstekingen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en daarbij verwezen naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 januari 2018, waarin deze arts te kennen heeft gegeven dat sprake is van milde afwijkingen die geen aanleiding zijn voor medische beperkingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest. Zoals blijkt uit het rapport van 4 januari 2017 blijkt dat de conclusie van deze arts is gebaseerd op bestudering van het dossier, de observaties en de gegevens verkregen tijdens de hoorzitting en het in bezwaar overgelegde huisartsenjournaal van 1 november 2016. In het rapport van 29 maart 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bovendien navolgbaar gemotiveerd dat het zoeken naar een diagnose enige tijd in beslag kan nemen, maar dat geen afwijkingen zijn gevonden door de MDL-arts en de reumatoloog. De psychische indruk die is verkregen tijdens de hoorzitting was in overeenstemming met de conclusie op psychisch gebied. Omdat ook de oogarts, behoudens een aandoening die geen objectiveerbare problemen geeft, geen bijzonderheden heeft gevonden, was er voldoende informatie beschikbaar om te concluderen dat medisch geen beperkingen konden worden aangetoond. Appellante is daarom medisch gezien geschikt om weer haar arbeid te verrichten.

4.3.

Wat door appellante in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 24 januari 2018 de in hoger beroep ingebrachte informatie heeft besproken. Zij heeft navolgbaar uiteengezet dat op 31 juli 2017 weliswaar is aangetoond dat sprake is van een milde hernia diafragmatica en een milde gastritis, maar dat deze milde klachten geen aanleiding geven voor medische beperkingen. Het betreft immers een niet perfect afsluitende ingang van de maag en een milde maagontsteking. Overigens blijkt uit de informatie van de huisarts van 23 augustus 2016 dat op 6 juli 2016 bij een gastroduodenoscopie normale bevindingen werden aangetroffen. Dat sprake is van medisch geobjectiveerde milde klachten, die overigens pas ruim na de datum in geding zijn aangetoond, neemt niet weg dat het Uwv op inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd dat appellante met deze klachten in staat moet worden geacht om op 6 november 2016 haar maatgevende arbeid weer te verrichten.

5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) D.S.Barthel

VC