Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
18/1427 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet wonen op adres binnen gemeente. Geen tijdelijk verblijf bij moeder in andere gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1427 PW

Datum uitspraak: 28 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
29 januari 2018, 17/3717 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 6 maart 2017 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet en op 16 maart 2017 de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij verblijft op het adres [adres] (opgegeven adres). Op dit adres stonden, naast appellant, ook zijn vader en zijn broer ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een medewerker van het cluster Handhaving van Werk en Inkomen Lekstroom (handhavingsmedewerker) een onderzoek ingesteld naar onder andere de woonsituatie van appellant. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker bankafschriften opgevraagd bij appellant, verbruiksgegevens opgevraagd en waarnemingen verricht in de omgeving van het opgegeven adres. Tevens heeft de handhavingsmedewerker appellant uitgenodigd voor een gesprek op 2 mei 2017. Appellant is op die afspraak verschenen en heeft een toelichting gegeven op zijn woon- en leefsituatie. De onderzoeksbevindingen zijn opgenomen in een rapport van 12 mei 2017.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 12 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 juli 2017 (bestreden besluit), de aanvraag af te wijzen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres in [woonplaats] , zodat niet kan worden vastgesteld of recht op bijstand jegens het dagelijks bestuur bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het dagelijks bestuur moet worden gelezen:

“De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen omdat hij niet geacht kan worden zijn hoofdverblijf in [woonplaats] te hebben. Dit blijkt uit eisers eigen verklaring op 2 mei 2017 dat al zijn spullen bij zijn moeder in Utrecht liggen, dat hij bij haar eet, slaapt en de was doet en dat hij bij haar verblijft en zijn dagbesteding daar heeft. Ook heeft hij gezegd dat hij niet kan verblijven op het adres in [woonplaats] en dat hij vanaf het moment dat hij uit [gemeente] is gekomen zijn spullen bij zijn moeder heeft gezet en naar zijn moeder is gegaan. (…). Van een wijziging van de woon- en verblijfssituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter zoals bedoeld door de CRvB in de uitspraak van

23 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:584) is geen sprake. Eiser heeft verklaard dat hij vanuit [gemeente] direct zijn spullen bij zijn moeder heeft gezet en dat hij niet op de [adres] heeft verbleven.”

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij geacht moet worden zijn hoofdverblijf te hebben gehad op het door hem opgegeven adres in [woonplaats] en dat hij dus jegens het dagelijks bestuur recht heeft op bijstand. Appellant verbleef door ziekte en hangende het genezingsproces noodzakelijkerwijs bij zijn moeder in Utrecht. Dit verblijf had daarmee slechts een tijdelijk karakter. Dat zijn tijdelijke verblijf elders onzeker is, omdat de duur van het genezingsproces onzeker is, ontneemt volgens appellant aan zijn verblijf op het adres van zijn moeder niet het tijdelijke karakter. Bovendien is hij steeds op het opgegeven adres voor derden bereikbaar gebleven. Daarom was volgens appellant slechts sprake van een wijziging van de woon- en verblijfssituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 6 maart 2017 tot en met 12 mei 2017.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hieraan toe dat appellant, op wie in verband met zijn aanvraag de bewijslast rust, ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij – in afwijking van zijn eigen verklaringen op 2 mei 2017 – in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf heeft gehad op het opgegeven adres en dat het verblijf bij zijn moeder in zoverre slechts tijdelijk was. Vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode in het geheel niet heeft verbleven op het door hem opgegeven adres.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente geen grond aanwezig is. Het verzoek van appellant daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2019.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) S.H.H. Slaats