Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
17/6937 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijzondere bijstand in verband met teruggevorderde toeslagen. Geen sprake van rechtens afdwingbare toezegging dat bijstand zou worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2019/321
JB 2019/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6937 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 28 mei 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

13 september 2017, 17/741 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen. Het college heeft, eveneens daartoe opgeroepen, zich laten vertegenwoordigen door drs. E.H. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) ontvangen in de vorm van een renteloze lening. Van 1 januari 2015 tot en met 31 juli 2015 heeft appellante inkomsten uit loondienst ontvangen en van 1 augustus 2015 tot en met

2 november 2015 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft het college de onder 1.1 vermelde lening tot een bedrag van € 11.398,98 omgezet in belaste bijstand om niet. Daarbij heeft het college appellante er onder meer op gewezen dat de belaste bijstand om niet voor appellante inkomen is en dat zij de nog te ontvangen jaaropgave daarover moet betrekken bij haar belastingaangifte over het jaar 2015.

1.3.

Bij beschikking van 8 juli 2016, door appellante voor die datum ontvangen, heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag en de huurtoeslag van appellante over 2015 definitief berekend op € 0,- en bepaald dat appellante als gevolg daarvan teveel ontvangen voorschotten zorg- en huurtoeslag tot een bedrag van € 942,- aan zorgtoeslag en € 3.888,- moet terugbetalen.

1.4.

Op 28 juni 2016 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend om de van haar teruggevorderde voorschotten op de zorgtoeslag de huurtoeslag te kunnen terugbetalen.

1.5.

Bij besluit van 8 november 2016 heeft het college voor de teruggevorderde zorgtoeslag € 156,- bijzondere bijstand toegekend. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de teruggevorderde huurtoeslag afgewezen op de grond dat de kosten uit het jaarinkomen over 2015 (exclusief de Bbz-uitkering over het jaar 2014) konden worden voldaan.

1.6.

Bij besluit van 26 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2016, onder wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover van belang, ten grondslag dat op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de PW geen bijstand mogelijk is voor schulden, terwijl van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van de PW niet is gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij, kort gezegd, aangevoerd dat het college haar aanvraag om bijzondere bijstand had moeten inwilligen, omdat het college haar dat heeft toegezegd, althans bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat de gevraagde bijzondere bijstand zou worden verleend. Appellante heeft daarnaast aangevoerd dat de rechtbank het college had moeten veroordelen in de kosten van de bezwaar- en beroepsfase, vanwege een standpuntwijziging van het college ter zitting van de rechtbank.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad heeft appellante haar beroepsgrond dat de rechtbank het college had moeten veroordelen in de kosten van de bezwaar- en beroepsfase ingetrokken, zodat die beroepsgrond geen bespreking meer behoeft.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante op grond van de PW en het beleid van het college niet voor toekenning van de door haar gevraagde bijzondere bijstand in aanmerking komt. Tussen partijen is enkel in geschil of het college aan appellante een rechtens afdwingbare toezegging heeft gedaan.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat tijdens een gesprek tussen een medewerker van het college, appellante zelf en haar boekhouder, door de medewerker is gezegd: “als je een toeslag moet terugbetalen, moet je bijzondere bijstand aanvragen”. Volgens appellante heeft het college hiermee toegezegd dat haar bijzondere bijstand zal worden verleend.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Daarvan is hier geen sprake. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:318), is het openstaan en bieden van de mogelijkheid om een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen niet te beschouwen als een toezegging in de hiervoor genoemde zin of daarmee op een lijn te stellen. Met name is hier niet een rechtens afdwingbare toezegging uit af te leiden dat na het indienen van een zodanige aanvraag deze zal worden ingewilligd. Ook overigens zijn in de gedingstukken geen aanwijzingen te vinden dat van de zijde van het college bij appellante zodanige verwachtingen zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens het college kan worden gebaseerd. Een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet worden ontleend aan de omstandigheid dat het college, naar ter zitting bij de Raad is toegelicht, uit coulance een bedrag voor de teruggevorderde zorgtoeslag heeft toegekend.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Voor een toewijzing van het verzoek om schadevergoeding is daarom geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en E.C.R. Schut en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2019.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

lh