Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
12-06-2019
Zaaknummer
18/3499 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar tegen de ontvangen jaaropgave is niet-ontvankelijk verklaard. Geen besluit. Het beroep is met toepassing van artikel 8:54 Awb en vervolgens met toepassing van artikel 8:55 Awb ongegrond verklaard. Geen doorbreking appèlverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3499 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
22 mei 2018, 17/6372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

Datum uitspraak: 28 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 16 april 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

1.2.

Appellante heeft bij het college bezwaar gemaakt tegen de van het college ontvangen jaaropgave 2014. Bij besluit van 25 september 2017 heeft het college het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de jaaropgave geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.3.

Bij uitspraak van 8 februari 2018 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 september 2017 met toepassing van artikel 8:54 van de Awb ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen deze uitspraak gedane verzet met toepassing van artikel 8:55 van de Awb ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Zij heeft daartoe gesteld dat zij in bezwaar en beroep niet is gehoord en dat zij niet heeft beschikt over de aan de jaaropgave ten grondslag liggende maandspecificaties. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat het recht op een “fair hearing” is geschonden, omdat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat een jaaropgave niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak kan voor doorbreking van een wettelijk appèlverbod slechts aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. Deze situatie doet zich hier niet voor.

4.3.

Bij uitspraak van 8 februari 2018 heeft de rechtbank beslist op het beroep van appellante. De enkele omstandigheid dat appellante in bezwaar niet is gehoord door het college en de rechtbank gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid het beroep vereenvoudigd te behandelen betekent niet dat geen sprake is geweest van een eerlijk en onafhankelijk proces. Daarbij is van belang dat appellante haar standpunt schriftelijk uiteen heeft kunnen zetten en dat haar door de rechtbank de gelegenheid is geboden te worden gehoord op haar verzet tegen de uitspraak van 8 februari 2018. Dat appellante daarvan geen gebruik heeft gemaakt, dient voor haar rekening te blijven. De stelling van appellante dat zij niet de beschikking heeft gehad over de aan de jaaropgave 2014 ten grondslag liggende maandspecificaties maakt dit niet anders. Die maandspecificaties zijn niet van invloed op het rechtskarakter van de jaaropgave. Appellant heeft de maandspecificaties bovendien ontvangen, terwijl ook uit zijn bankafschriften blijkt hoeveel het college appellant iedere maand heeft uitbetaald. Appellant heeft zijn standpunt over het rechtskarakter van de jaaropgave 2014 voldoende naar voren kunnen brengen. Dat appellant het niet eens is met de aangevallen uitspraak, noopt niet tot doorbreking van het wettelijk appèlverbod.

4.4.

Omdat er geen reden is het appèlverbod te doorbreken, dient de Raad zich onbevoegd te verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2019.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

lh