Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
17/492 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Eerst in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing, de schending van artikel 7:12 van de Awb zal worden gepasseerd. Wel aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 492 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 november 2016, 16/2701 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019. Voor appellante is verschenen mr. Van Putten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als thuishulp A voor gemiddeld 9,13 uur per week. Op 24 december 2013 heeft zij zich ziek gemeld met fysieke klachten.

1.2.

Bij besluit van 13 november 2015 heeft het Uwv appellante met ingang van

23 december 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft hieraan een rapport van een arts van 28 oktober 2015 met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige van

11 november 2015 ten grondslag gelegd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 25 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 november 2013 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 april 2016 met een gewijzigde FML van dezelfde datum, waarin minder beperkingen waren opgenomen dan in de FML van 28 oktober 2015, en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 april 2016 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd en dat haar beperkingen zijn onderschat. Er is te weinig rekening gehouden met haar aangeboren rugafwijking. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt een brief overgelegd van A.C.H. Slingerland, orthopedisch chirurg van 26 juni 2017. Verder heeft zij aangevoerd beperkingen te hebben als gevolg van hoofdpijnklachten door haar hoge bloeddruk en slechtziendheid. Ook is volgens haar ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Verder is het traplopen volgens appellante een groter probleem dan uit de FML naar voren komt. Voorts heeft appellante naar voren gebracht dat zij niet met het openbaar vervoer kan reizen. Appellante heeft aangevoerd niet in staat te zijn langer dan 45 minuten te zitten, zodat de geselecteerde functies op dat aspect niet passend zijn. Appellante heeft om een deskundigenonderzoek door een neuroloog verzocht. In dit verband heeft appellante verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van

8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, zaaknummer 77212/12, Korošec). Appellante meent dat zij voldoende twijfel heeft doen ontstaan omtrent de juistheid van de medische rapporten van het Uwv.

3.2.

In een rapport van 22 november 2018 heeft een andere verzekeringsarts bezwaar en beroep dan de eerder bij de zaak betrokken verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de informatie van orthopedisch chirurg Slingerland. Deze tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de bevindingen van de orthopedisch chirurg beter passen bij de door de arts opgestelde FML van 28 oktober 2015 dan bij de door de eerste verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde FML van 15 april 2016. Hij heeft daarom op 22 november 2018 een nieuwe FML opgesteld waarin hij de beperkingen uit de FML van 28 oktober 2015 heeft overgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de passendheid van eerder geduide functies opnieuw beoordeeld. In haar rapport van 11 december 2018 is zij tot de conclusie gekomen dat enkele functies niet kunnen worden gehandhaafd, maar dat ofwel een vervangende functie kan worden geduid binnen dezelfde SBC-code ofwel er binnen de SBC-code voldoende functies overblijven. Gelet hierop is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onveranderd minder dan 35% gebleven. In haar rapport van 11 maart 2019 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg met een arbeidsdeskundig analist, een nadere toelichting gegeven op het gebruik van handschoenen in een van de geduide functies. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar genoemde rapporten, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.2.

Met het rapport van de tweede verzekeringsarts bezwaar en beroep van

22 november 2018 is het Uwv uiteindelijk gekomen tot een voldoende zorgvuldige besluitvorming waarbij alle relevante informatie is betrokken.

Stap 2: equality of arms

4.3.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante heeft in de procedure in hoger beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nadere stukken in te dienen over haar medische situatie. Deze (medische) stukken zijn naar hun aard geschikt en vormen een redelijke mogelijkheid voor appellante om de bestuursrechter van haar standpunt te overtuigen. De ingediende stukken zijn kenbaar betrokken bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellante. Er zijn geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Daarmee is in dit geval voldaan aan het vereiste van een gelijke procespositie. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit een oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin de verzekeringsarts van het Uwv inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen heeft betrokken zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen. De Raad heeft geen aanknopingspunten dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep thans bij de medische beoordeling nog bepaalde aspecten van de gezondheidstoestand van appellante over het hoofd heeft gezien of onvoldoende heeft gewogen. De gegevens van de huisarts van 10 maart 2016 evenals de brief van 12 januari 2015 van M. ten Wolde, internist, en van het Oogziekenhuis Zonnestraal van 13 januari 2016 zijn bij de beoordeling betrokken. Het gestelde in het schrijven van Slingerland is eveneens door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 22 november 2018 kenbaar besproken.

Stap 3: de inhoudelijke beoordeling

4.4.

Er is thans geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op 23 december 2015 onjuist heeft ingeschat. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2018 blijkt dat hij hetgeen gesteld is in de brief Slingerland overneemt en in verband hiermee beperkingen aanneemt. Omdat er geen twijfel resteert over de juistheid van de medische beoordeling is er geen aanleiding een deskundige te benoemen. Dat appellante meer beperkt moet worden geacht dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen, vindt geen bevestiging in de door appellante overgelegde medische stukken. Ook voor het aannemen van een urenbeperking heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden.

4.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 14 maart 2017 en van 11 december 2018 inzichtelijk gemotiveerd dat appellante geschikt en in staat is de thans geselecteerde functies te verrichten.

4.6.

Appellante heeft haar stelling dat zij niet in staat is per openbaar vervoer te reizen ook na uitdrukkelijk daartoe te zijn uitgenodigd op geen enkele wijze kunnen onderbouwen. De stukken bevatten hieromtrent ook geen enkele aanwijzing. Reeds hierom behoeft deze stelling geen verdere bespreking.

4.7.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.8.

Omdat het hoger beroep niet slaagt, is voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade geen plaats.

4.9.

Omdat eerst in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit is dit besluit niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat aannemelijk is dat appellante door de aanvulling van de motivering niet is benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het

Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.304,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.A.A. Traousis

VC