Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:174

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
16/5227 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad gaat, gelet op bestreden besluit 2, uit van de onjuistheid van het oordeel van de rechtbank over het door het Uwv niet langer gehandhaafde standpunt over de datum van de beëindiging in bestreden besluit 1 en daarom ook over de datum in geding. De aangevallen uitspraak zal daarom vernietigd worden. Bestreden besluit 2 wordt meegenomen in de beoordeling. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat bestreden besluit 1, voor zover het Uwv de motivering daarvan heeft gehandhaafd, op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. Bestreden besluit 2 berust daarmee ook op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5227 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 juli 2016, 15/3410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 oktober 2016 ingezonden.

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerker klantenadministratie voor 32 uur per week. Op 30 juni 2014 heeft zij zich ziek gemeld met klachten aan handen en polsen. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellante op 11 mei 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 70,68% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 2 juni 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 30 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Het Uwv heeft op 14 oktober 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar

(bestreden besluit 2) genomen. Bij dat besluit heeft het Uwv vastgesteld dat appellante pas per 10 november 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat in de bezwaarfase de FML is aangepast en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe functie aan de berekening van het verdienvermogen ten grondslag heeft gelegd.

2.3.

Appellante is per 3 december 2015 weer in aanmerking gebracht voor ziekengeld.

3.1.

Appellante is het niet eens met bestreden besluit 2. Zij stelt dat zij ook vanaf 10 november 2015 recht heeft op ziekengeld. Zij is per 10 november 2015 niet geschikt voor de door het Uwv geselecteerde functies. Zij heeft verwezen naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.

3.2.

Het Uwv heeft ongegrondverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 2 bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak een oordeel gegeven over de beëindiging van het ziekengeld van appellante per 30 juli 2015. Het Uwv heeft in bestreden besluit 2 dit standpunt verlaten voor zover het de datum van de beëindiging betreft. Voor het overige heeft het Uwv de motivering van bestreden besluit 1 gehandhaafd. De Raad gaat gelet hierop uit van de onjuistheid van het oordeel van de rechtbank over het door het Uwv niet langer gehandhaafde standpunt over de datum van de beëindiging en daarom ook over de datum in geding. De aangevallen uitspraak zal daarom vernietigd worden. Het beroep tegen bestreden besluit 1 zal gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 zal worden vernietigd.

4.3.

Met bestreden besluit 2 is niet volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Bestreden besluit 2 wordt daarom, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

4.4.

Het Uwv heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat appellante in de periode van

10 november 2015 tot 3 december 2015 is staat is met passend werk ten minste 65% van haar oude loon te verdienen, verwezen naar de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1. Over deze grondslag heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak een oordeel gegeven.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat bestreden besluit 1, voor zover het Uwv de motivering daarvan heeft gehandhaafd, op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. Appellante heeft in hoger beroep slechts verwezen naar de eerder in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Zij heeft niet concreet aangegeven waarom of op welke punten

de motivering van de rechtbank onjuist is. De enkele betwisting daarvan is onvoldoende. Bestreden besluit 2 berust daarmee ook op een juiste medische en arbeidskundige grondslag.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 niet slaagt.

5. Gelet op het feit dat het Uwv in hoger beroep een gewijzigd besluit heeft genomen, bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten voor juridische bijstand worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep, in totaal € 2.048,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.048,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.R. Trox

md