Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
17/2516 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1250, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen export Wajong-uitkering. Niet woonachtig in Nederland. Geen bijzondere omstandigheden. Beroep op hardheidsclausule faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2516 WAJONG

Datum uitspraak: 23 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 februari 2017, 16/597 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Michielsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Michielsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren [in] 1978. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 20 april 2008 in verband met psychische klachten (schizofrenie) in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

1.2.

Bij brief van 10 juli 2009 heeft appellant het Uwv verzocht hem toestemming te verlenen voor een verblijf van zes maanden in Goa (India) met het doel tegen kost en inwoning onbetaald vrijwilligerswerk in een guesthouse te verrichten. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat dit verblijf het herstel van zijn psychische gesteldheid zou bevorderen. Daarop heeft het Uwv appellant bij brief van 21 juli 2009 meegedeeld dat zijn tijdelijke verblijf van 1 oktober 2009 (lees: 2008) tot 1 april 2009 geen gevolgen voor zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering zal hebben. Vervolgens heeft appellant bij brief van 24 oktober 2009 laten weten dat het niet mogelijk is gebleken het vrijwilligersproject voort te zetten in de periode van oktober 2009 tot en met maart 2010 en dat hij in deze periode weer in Nederland zal verblijven. Appellant heeft de verwachting uitgesproken dat hij zijn medewerking aan het project het volgende seizoen weer zal kunnen voortzetten en te kennen gegeven het Uwv daarvan te zijner tijd op de hoogte te zullen stellen. Bij brief van 1 november 2010 heeft appellant het Uwv meegedeeld van december 2010 tot en met februari 2011 in verband met de eerder genoemde werkzaamheden in Goa te zullen verblijven. Daarop heeft het Uwv appellant bij brief van 8 november 2010 meegedeeld dat het Uwv geen bezwaar heeft tegen verblijf in het buitenland van appellant gedurende de periode van 1 december 2010 tot 1 maart 2011 en dat hij gedurende deze periode zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering kan behouden. Bij brief van 15 februari 2011 heeft appellant het Uwv laten weten dat de Indiase autoriteiten hem met ingang van 14 februari 2011 een werkvisum hebben verschaft dat geldig is voor de duur van twaalf maanden. Daarop heeft het Uwv appellant bij brief van 20 april 2011 toestemming verleend om van 14 februari 2011 tot 14 februari 2012 in India te verblijven.

1.3.

Desgevraagd door het Uwv heeft appellant het Uwv op 17 maart 2015 bericht dat hij op 14 maart 2015 naar een nader genoemd adres in India is verhuisd en aldaar zijn post van het Uwv wenst te ontvangen. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven in het kader van vrijwilligersprojecten als toeristengids in India te fungeren. Daarop heeft het Uwv appellant bij besluit van 19 mei 2015 te kennen gegeven dat hem vanaf 1 mei 2015 geen uitkering meer zal worden betaald, omdat niet kan worden vastgesteld of appellant nog langer een Wajong-uitkering kan krijgen. Bij besluit van 17 augustus 2015 heeft het Uwv de Wajong-uitkering met ingang van 1 mei 2015 stopgezet, omdat appellant toen nog altijd niet in Nederland stond ingeschreven. Het door appellant tegen het besluit van 17 augustus 2015 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 7 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat het Uwv de uitkering van appellant op grond van het in artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong opgenomen exportverbod in beginsel moest beëindigen, omdat vaststaat dat appellant al geruime tijd vóór 1 mei 2015 in India is gaan wonen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv er in redelijkheid van kunnen afzien door middel van toepassing van de hardheidsclausule het exportverbod buiten toepassing te laten. De door appellant aangevoerde omstandigheden voor zijn verblijf buiten Nederland vallen niet onder één van de drie in artikel 2 van het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering (Besluit Beleidsregels) genoemde redenen die in ieder geval als zwaarwegend worden aangemerkt. Aan de orde is dan ook de vraag of sprake is van overige omstandigheden die een grondslag kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden en dat op appellant de bewijslast rust dergelijke omstandigheden te bewijzen. Met de enkele stelling dat zijn gezondheid is gebaat bij een verblijf in Goa heeft appellant niet aan die bewijslast voldaan. De eigen verklaring van appellant geeft volgens de rechtbank geen objectief beeld van zijn situatie, zodat hieraan niet de waarde toekomt die appellant daaraan hecht. De door appellant overgelegde informatie van zijn (voormalige) psychiater geeft evenmin blijk van zwaarwegende redenen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel recht had en heeft om met behoud van zijn Wajong-uitkering naar India te verhuizen. Ter onderbouwing van zijn beroep op de hardheidsclausule heeft appellant opgemerkt dat de rechtbank op geen enkele wijze is ingegaan op zijn stelling dat hij in India als reisgids wilde re-integreren, wat moet worden beschouwd als het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief als bedoeld in artikel 2 onder b van het Besluit Beleidsregels. Daarnaast heeft appellant een brief van 7 juni 2017 overgelegd van psychiater R. Meuldijk, volgens wie er medisch zwaarwegende redenen zijn voor appellant om in India te verblijven. De psychiater heeft erop gewezen dat appellant zich in Nederland als gevolg van zijn ziekte sterk sociaal isoleert, terwijl het hem in India lukte als reisgids te functioneren, wat te maken heeft met zijn bekendheid met de infrastructuur aldaar, zijn geloof en met het klimaat, wat een betere kans op genezing meebrengt.

3.2.

Onder verwijzing naar een rapport van 21 juni 2017 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv bevat de brief van Meuldijk geen objectieve medische gegevens ter onderbouwing van de stelling van appellant dat hij in India beter functioneert. Uit eerdere berichten van zijn (voormalig) behandelend psychiater komt juist naar voren dat het in India niet goed ging met appellant, dat hij verwarde berichten verstuurde en waarschijnlijk weer psychotisch was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op de datum waarop het bestreden besluit werd genomen had appellant geen woonplaats in Nederland en was, gelet op het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank Amsterdam bevoegd. Gezien de omstandigheden van het geval is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:117 van de Awb de onbevoegdheid van de rechtbank Rotterdam voor gedekt te verklaren en de aangevallen uitspraak als bevoegdelijk gedaan aan te merken.

4.2.

In artikel 3:19, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wajong is bepaald dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogeheten exportverbod op grond van het negende lid van dit artikel (de zogeheten hardheidsclausule) buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.3.

In artikel 2 van het Besluit Beleidsregels is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.4.

In de toelichting bij het Besluit Beleidsregels is vermeld dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast en er ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties grond kan zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als zwaarwegende redenen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid zoals onder 2 weergegeven worden onderschreven. De door appellant overgelegde brief van psychiater Meuldijk geeft geen aanleiding voor een ander oordeel omdat deze brief geen medische onderbouwing bevat en slechts gebaseerd is op de eigen mededeling van appellant dat het hem in India lukte om te functioneren als reisgids-vrijwilliger.

4.6.

Appellant kan niet worden gevolgd in zijn – eerst in hoger beroep ingenomen – standpunt dat het werk als reisgids-vrijwilliger kan worden aangemerkt als het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit Beleidsregels. Appellant heeft dit standpunt met name onderbouwd door te stellen dat hij in India meer arbeidsmogelijkheden ziet omdat zijn verblijf in India stabiliserend werkt op zijn ziektebeeld. Voor dit standpunt van appellant bevat de brief van psychiater Meuldijk, zoals in 4.5 is overwogen, echter geen medische onderbouwing. Daarentegen kan het Uwv gevolgd worden in zijn standpunt dat uit de in bezwaar ingebrachte informatie van psychiater J.C.M. Loos van 8 oktober 2015 en van de maatschappelijk werker van 9 november 2011 juist kan worden opgemaakt dat het met appellant na zijn vertrek naar India niet goed is gegaan.

4.7.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat appellant zich niet met succes op de hardheidsclausule kan beroepen.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) W.M. Swinkels

VC