Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1711

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
18-3343 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Matching. Waardering van de mensfunctie van appellant op schaalniveau 9 is niet onhoudbaar. Dit oordeel brengt mee dat de matching met de functie 2 evenmin onhoudbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3343 AW, 18/3344 AW

Datum uitspraak: 16 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 mei 2018, 14/2847 en 17/1314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2019. Appellant is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Arts en F.J.H. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [functie 1] bij de voormalige politieregio [regio] binnen de [dienst]. Appellant is per 1 februari 2016 eervol ontslag verleend.

1.2.

In het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) heeft de korpschef bij besluit van 28 mei 2013 als uitgangspositie van appellant de mensfunctiebeschrijving aangepast door toevoeging van de werkzaamheden in het kader van het Recherche beleidspiket en zijn optreden als plaatsvervanger van de chef [dienst] en als zogeheten leider van de dag. De Raad heeft in zijn uitspraak van 10 maart 2015

(ECLI:NL:CRVB:2015:707) de beschrijving van deze werkzaamheden in stand gelaten en bepaald dat toegevoegd wordt: ‘het bij toerbeurt en in voorkomende gevallen verrichten van de taak van hulpofficier van justitie’. De korpschef heeft deze taak opgenomen in de mensfunctiebeschrijving van appellant [mensfunctiebeschrijving van appellant] van april 2015.

1.3.

Na een daarop gericht voornemen, waarover appellant zijn zienswijze heeft gegeven en waartegen hij bedenkingen heeft ingediend en na advies van de Heroverwegingscommissie Functiewaardering Politie (HCF), heeft de korpschef bij besluit van 25 mei 2016 overeenkomstig het advies van de HCF de waardering van de mensfunctiebeschrijving [mensfunctiebeschrijving van appellant] bij de [dienst] vastgesteld op het niveau van salarisschaal 9 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp).

1.4.

Het tegen het besluit van 25 mei 2016 gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 maart 2017 (bestreden besluit 1) onder overname van het advies van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering Politie (CABFP) ongegrond verklaard. De CABFP heeft daarbij zowel de referentiefunctie Operationeel leidinggevende A (schaal 9) als de referentiefunctie Operationeel leidinggevende B (schaal 10) uit de reeks Leiding, subreeks Operationeel leidinggevenden van de referenties Opsporing uit het Vernieuwd Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie betrokken.

1.5.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft de korpschef appellant meegedeeld dat hem voor het tijdvak 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 in het kader van het LFNP de functie van [functie 2] is toegekend en bepaald dat appellant op 1 januari 2012 overgaat naar die functie. Het daartegen gemaakte bezwaar is - na intrekking van de eerdere beslissing op bezwaar - bij besluit van 8 september 2017 (bestreden besluit 2) gegrond verklaard. Vanaf 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 is appellant op basis van de in 1.2 genoemde uitgangspositie de LFNP-functie [functie 2] toegekend en is appellant op 1 januari 2012 overgegaan naar de LFNP-functie [functie 2]. Daarbij is tevens beslist dat voor wat betreft de tijdelijke werkzaamheden van appellant vanaf 1 augustus 2012, die als bijzondere situatie in de uitgangspositie zijn vermeld en die niet van invloed zijn op de matching, het besluit van

16 december 2013 in stand blijft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluit 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Functiewaardering

4.1.1.

Artikel 48b van het Bbp, zoals dat is gewijzigd bij Besluit van 31 januari 2012 (Staatsblad 2012, 30), bepaalt onder meer dat voor aanvragen over de heroverweging van de waardering van de functie waarop nog geen onherroepelijke beslissing is genomen, artikel 7, eerste lid, van het Bbp zoals dat gold op de dag voor inwerkingtreding van dit artikel, van toepassing blijft. Dit artikel is inwerking getreden op 24 mei 2016 (Besluit van 12 mei 2016, Staatsblad 2016, 185).

4.1.2.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Bbp, zoals dat gold tot 24 mei 2016, kan de ambtenaar die zich niet kan verenigen met de waardering van een hem in de periode vanaf

31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Bbp, het bevoegd gezag verzoeken deze waardering in heroverweging te nemen.

4.2.1.

Op grond van vaste rechtspraak (uitspraak van 13 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4685) betreft de functiewaardering een zelfstandig besluit, te onderscheiden van functiebeschrijving en functieonderhoud. Bij de waardering gelden als uitgangspunt niet de feitelijk verrichte werkzaamheden, maar de werkzaamheden zoals die blijken uit de vastgestelde functiebeschrijving (uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4197). In dit geval is dat de voor appellant vastgestelde, in 1.2 genoemde, mensfunctiebeschrijving van [mensfunctiebeschrijving van appellant].

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2732) dient de rechterlijke toetsing bij functiewaardering terughoudend te zijn. De rechter moet beoordelen of de waardering op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden waardering niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

4.2.3.

Volgens de in het Vernieuwd Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie (juni 2005) voorgeschreven functiewaarderingsmethode wordt voor de waardering van de betrokken functie eerst aan de hand van het referentiemateriaal bepaald van welke functiereeks moet worden uitgegaan. Vervolgens wordt de functie van laag naar hoog met de in de functiereeks voorkomende referentiefuncties vergeleken. Zodra een referentiefunctie wordt bereikt die een hoger niveau heeft dan de te waarderen functie, wordt teruggegaan naar het niveau van de voorlaatste referentiefunctie. Dat niveau is dan bepalend voor de te waarderen functie.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de bezwaar- en beroepsfase de korpschef heeft verzocht om toezending van stukken over de grondslag, beleid en regelgeving van de gevolgde procedure van de functiewaardering, maar die niet heeft gekregen. Het waarderingsresultaat en de gehanteerde werkwijze zijn onvoldoende transparant gebleven, aldus appellant. Eerst op verzoek van de Raad heeft de korpschef de desbetreffende regeling, het Vernieuwd Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie (juni 2005) ingezonden en heeft appellant daarvan kennisgenomen. Weliswaar kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek, nu de korpschef op dit punt geen gevolg aan het bezwaar van appellant heeft gegeven, maar ziet de Raad aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat appellant inhoudelijk heeft kunnen reageren op het document is hij door deze gang van zaken niet benadeeld. Wel ziet de Raad hierin aanleiding om te bepalen dat de korpschef het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

4.4.

Voor zover appellant heeft betoogd dat artikel 7, eerste lid van het Bbp en de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering politie per 24 mei 2016 zijn vervallen en de bestreden besluiten om die reden een wettelijke grondslag ontberen, stelt de Raad onder verwijzing naar de overgangsbepaling in 4.1.1 vast dat op de hier in geding zijnde heroverweging van de waardering de tot 24 mei 2016 bestaande regelgeving van toepassing blijft. Dit betoog van appellant slaagt daarom niet.

4.5.

Met de rechtbank volgt de Raad de korpschef dat de kern van de mensfunctie van appellant is het beheersmatig leidinggeven aan een groep van 8 tot 16 medewerkers. Het betoog van appellant dat hij als leider van de dag leiding gaf aan een groep van 20 tot 25 medewerkers slaagt niet. Het betrof immers het in samenwerking met de twee andere teamchefs bij toerbeurt functioneel aansturen van circa 20 tot 25 medewerkers. De Raad heeft in zijn in 1.2 genoemde uitspraak vastgesteld dat niet aannemelijk is dat de aansturing als leider van de dag van meer dan 8 tot 16 medewerkers, een andere vorm van leidinggeven is dan de functionele vorm. Omdat de span of control bij het beheersmatig leidinggeven in de referentiefunctie van Operationeel leidinggevende B (bijna) twee keer zo groot is, ligt die functie niet in de rede. Daar komt bij dat een deel van de medewerkers uit de groep van 20 tot 25 onder de beheersmatige verantwoordelijkheid van een van de beide andere teamchefs viel. Verder heeft te gelden dat bij de waardering niet de feitelijk verrichte werkzaamheden, maar de in de vastgestelde mensfunctiebeschrijving genoemde werkzaamheden als uitgangspunt moeten worden genomen. Het feit dat een van de collega teamchefs gedurende lange tijd vanwege opleiding afwezig was, waardoor er meer werk op appellant afkwam, kan daarom aan het voorgaande niet afdoen.

4.6.

Ook het betoog van appellant dat zijn mensfunctie eerder op het niveau lag van die van een Teamchef C waar het gaat om het optreden als plaatsvervanger van de chef [dienst] en zijn werkzaamheden in het kader van het recherche beleidspiket, slaagt niet. Appellant heeft niet bestreden dat de eindverantwoordelijkheid op het terrein van personeel bij de chef [dienst] lag en dat hij zijn werkzaamheden verrichtte onder diens verantwoordelijkheid. Op het punt van het recherche beleidspiket komt betekenis toe aan het feit dat appellant anders dan de chef niet verantwoordelijk was voor het maken van beleidskeuzes maar voor de uitvoering van het vastgestelde beleid. Dit sluit aan bij de

niveau-indicator van de Operationeel leidinggevende A (“voert beleid uit en signaleert uitvoeringsproblemen”), terwijl het verschil met de referentiefunctie Operationeel leidinggevende B is dat die zijn leidinggevenden ook adviseert over het bijstellen van prioriteiten en beleid. In de mensfunctie van appellant is beschreven dat enkel informatie wordt aangedragen ten behoeve van de ontwikkeling van beleid.

4.7.

Het feit dat appellant bij toerbeurt en in voorkomende gevallen werkzaamheden als hulpofficier van justitie deed maakt evenmin dat de waardering onhoudbaar is. De verwijzing van appellant naar de waardering van de functie van officier van justitie slaagt niet, omdat dit een functie is die niet behoort tot de politieorganisatie. Met de korpschef, in het voetspoor van de CABFP, is de Raad van oordeel, dat de taak van hulpofficier, hoewel niet beschreven in de referentiefuncties, als taak van executief leidinggevenden zoals de Operationeel leidinggevende A kan worden gevergd. Dit sluit immers aan bij de Regeling hulpofficieren van Justitie uit 2008, waar de CABFP naar verwijst en waarin is aangegeven dat de ambtenaar van politie tevens hulpofficier is als hij is benoemd in schaal 9 of hoger, in het bezit is van een geldig certificaat ‘hulpofficier van justitie’ en beschikt over tenminste drie jaar aaneengesloten ervaring in een executieve functie binnen de politieorganisatie. Voorts is van belang dat vanwege het generieke karakter van de nieuwe referentiefuncties en de behoefte aan een betere bruikbaarheid van het referentiemateriaal de wens bestond om de taak van hulpofficier van justitie daarin niet meer op te nemen. Dit brengt mee dat, anders dan appellant heeft betoogd, het vervullen van de taak van hulpofficier van justitie niet reeds daarom zwaarder dan schaalniveau 9 zou moeten worden gewaardeerd. Tot slot neemt de Raad in aanmerking dat het hierbij gaat om werkzaamheden die niet gedurende een aanmerkelijk of substantieel deel van de arbeidstijd worden verricht; de taak van hulpofficier van justitie wordt vervuld bij toerbeurt en in voorkomende gevallen. Dit was bij appellant niet anders. De Raad volgt de korpschef dan ook dat bij de vergelijking van functies de taak van hulpofficier van justitie op zichzelf niet leidt tot een zwaardere functie.

4.8.

De stelling van appellant dat een mensfunctie, anders dan een organieke functie, niet in het systeem van functievergelijking past, volgt de Raad niet. Het enkele feit dat in het Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie alleen de organieke functie is gedefinieerd betekent nog niet dat het systeem niet mag of kan worden toegepast. De in 4.2.3 beschreven methode is gevolgd, waarbij de - aangepaste - mensfunctiebeschrijving tot uitgangspunt is genomen. Dat dit geen korpsfunctiebeschrijving is maakt in zoverre geen verschil.

Matching

4.9.

Appellant heeft tegen het toekennings- en overgangsbesluit geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Uit 4.1.1 tot en met 4.8 volgt dat de waardering van de mensfunctie van appellant op schaalniveau 9 niet onhoudbaar is. Dit oordeel brengt mee dat de matching met de functie [functie 2] evenmin onhoudbaar is.

4.10.

Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Zoals in 4.3 is overwogen bestaat aanleiding om te bepalen dat de korpschef het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 586,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) E. Stumpel

lh