Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
16/6808 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant per 18 mei 2013 buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Appellant heeft dit niet gemeld aan het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6808 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 september 2016, 16/2541 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Curaçao (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 mei 2019

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 oktober 2018 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2018:3205) gedaan (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv aanvullend onderzoek verricht. Bij brief van 8 januari 2019 heeft het Uwv de motivering van het bestreden besluit gewijzigd.

Appellant heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 april 2018. Voor appellant is zijn gemachtigde mr. A. Bosveld verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.

1.2.

Bij de tussenuitspraak is overwogen dat het bestreden besluit is gebaseerd op een vermoeden, ontleend aan door het Uwv bij drie banken opgevraagde bankafschriften van appellant over de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 april 2015, dat appellant, zonder daarvan melding te doen, sinds 18 maart 2013 niet meer in Nederland verbleef en het ontbreken van enig bewijs van de kant van appellant van diens stelling dat hij tot 22 april 2015 in Nederland heeft verbleven. Geoordeeld is dat het buiten medeweten van appellant rechtstreeks opvragen van de bankafschriften bij de banken in de gegeven omstandigheden in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel, zodat de uit de bankafschriften verkregen gegevens aangemerkt moeten worden als onrechtmatig verkregen bewijs. Ook is geoordeeld dat in dit geval de bankgegevens niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd hadden mogen worden. Dit betekent dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Het Uwv is opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv nader onderzoek verricht op internet en in openbare registers. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 november 2018. Op basis van de uit dit nader onderzoek verkregen gegevens heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk is gemaakt dat appellant in ieder geval vanaf 18 maart 2013 op Curaçao heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Aan dit standpunt heeft het Uwv de volgende gegevens ten grondslag gelegd: de verklaring van de ex‑echtgenote van appellant van 15 december 2014 waarin zij heeft gemeld dat appellant al sinds eind 2012 op Curaçao woont, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) van Curaçao op 19 maart 2013 van het eenmansbedrijf [naam eenmansbedrijf] met appellant als eigenaar, de Facebookpagina van [naam eenmansbedrijf] en andere op internet te vinden informatie over [naam eenmansbedrijf], waaruit blijkt dat dit bedrijf vanaf het voorjaar van 2013 elke week op drie vaste dagen een standplaats had met een stroopwafelkraam, en dat appellant ook daadwerkelijk in het bedrijf werkzaam was en de Facebookpagina van appellant zelf waarop hij op 25 augustus 2013 het bericht heeft geplaatst dat hij is verhuisd naar Curaçao.

2.2.

Appellant heeft in reactie hierop aangevoerd dat het Uwv ten onrechte op basis van de resultaten uit het onderzoek heeft geconcludeerd dat hij vanaf 18 maart 2013 op Curaçao heeft verbleven. Appellant heeft toegelicht dat hij eind 2012 begonnen is met de voorbereidingen om als zelfstandige een wafelkraam op Curaçao te starten, waaronder de aanschaf van een mobiele kraam en het inschrijven als eenmanszaak bij de KvK te Curaçao. Appellant ging er naar zijn zeggen toen van uit dat hij gebruik zou kunnen maken van de regeling om met behoud van zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) als zelfstandige te starten op Curaçao, omdat dit onderdeel is van het Koninkrijk der Nederlanden. Omdat hem, toen hij hierover in maart 2013 telefonisch bij het Uwv navraag deed, is meegedeeld dat hij zijn recht op WW-uitkering zou verliezen als hij naar Curaçao zou verhuizen om daar als zelfstandige te gaan werken, heeft hij ervoor gekozen om zich nog niet te vestigen op Curaçao en heeft hij de wafelkraam uitgeleend aan kennissen, die de kraam voor eigen rekening onder de naam [naam eenmansbedrijf] hebben ingezet. Appellant is in april 2015 alsnog naar Curaçao verhuisd om als zelfstandige te gaan werken. Tot zijn verhuizing in 2015 heeft appellant zelf slechts incidenteel in de wafelkraam gestaan, aldus appellant.

3.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2.1.

Ter zitting is vastgesteld dat het Uwv zich op grond van de gegevens uit het nader onderzoek op het standpunt heeft gesteld dat appellant per 18 maart 2013 geen recht heeft op een WW-uitkering op de grond dat hij vanaf deze datum buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Dit betekent dat toepassing is gegeven aan artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW in verbinding met de artikelen 22a, eerste lid, aanhef en onder a, 25 en 36 van de WW.

3.2.2.

In artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat het Uwv een besluit tot toekenning van een uitkering herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van onder meer artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Voor een weergave van de overige wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de overwegingen 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.4 van de tussenuitspraak.

3.3.

Aangezien het bestreden besluit ziet op intrekking en terugvordering van de

WW-uitkering van appellant per 18 mei 2013 is dat, zoals in overweging 4.2 van de tussenuitspraak reeds is overwogen, een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellant vanaf 18 maart 2013 op Curaçao heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Geoordeeld wordt dat het Uwv met de gegevens uit het nader onderzoek, zoals vermeld in 2.1 en in samenhang bezien, aan deze last heeft voldaan. Ook de ter zitting door het Uwv getoonde foto’s wijzen erop dat appellant op diverse momenten anders dan wegens vakantie op Curaçao verbleef. Het ligt dan op de weg van appellant om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het Uwv onjuist is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3766). Hierin is appellant niet geslaagd. Appellant heeft het standpunt van het Uwv enkel betwist, maar geen nadere stukken overgelegd ter onderbouwing hiervan, noch informatie verstrekt over de kennissen aan wie hij zijn kraam had uitgeleend. Dit betekent dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant per 18 mei 2013 buiten Nederland heeft verbleven anders dan wegens vakantie. Appellant heeft dit niet gemeld aan het Uwv. Gelet hierop heeft het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant per 18 maart 2013 ingetrokken. Tegen de terugvordering heeft appellant geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd.

3.4.

Het Uwv heeft pas in hoger beroep een deugdelijke onderbouwing gegeven voor het bestreden besluit. Dit leidt tot de conclusie dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond en zal het bestreden besluit, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten, worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zullen in stand worden gelaten.

4. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 512,- in beroep en op € 1.792,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.304,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 januari 2016;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.304,-;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) C.I. Heijkoop

VC