Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1695

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
17/3806 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geüniformeerde maatregel 100% één maand. Niet verschenen op traject zonder geldige reden of tijdige afmelding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3806 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 maart 2017, 16/8673 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 30 april 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Namens appellant is

verschenen mr. Cools. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.H.H. Ligtenberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 12 oktober 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Op appellant zijn de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de PW van toepassing.

1.2.

Appellant heeft van 11 maart 2016 tot 1 april 2016 het traject Tilburg Actief gevolgd. Op 4 april 2016 heeft hij een gesprek gehad met zijn doelmatigheidsconsulent. Tijdens dat gesprek heeft appellant te kennen gegeven dat hij graag wil deelnemen aan het traject [naam traject] (traject). Vervolgens heeft appellant op 12 april 2016 een intakegesprek gehad bij [naam traject] en is met appellant afgesproken dat hij op 14 april 2016 zal starten met het traject.

1.3.

Bij besluit van 30 juni 2016 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel vanaf 1 juli 2016 gedurende een maand met 100% verlaagd. Aan deze maatregel ligt ten grondslag dat appellant in de periode van 14 april 2016 tot en met 2 juni 2016 meerdere keren ongeoorloofd afwezig is geweest bij het traject. Appellant heeft daarmee niet of onvoldoende meegewerkt aan het opstellen, uitvoeren en/of evalueren van een plan van aanpak. Het college heeft de verlaging gebaseerd op de artikelen 27 en 30 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015 (Verordening).

1.4.

Bij besluit van 29 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de wettelijke grondslag van de opgelegde maatregel, het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2016 ongegrond verklaard. Het college heeft, zoals ter zitting nader toegelicht, aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Door zonder bericht niet te verschijnen op het traject, heeft appellant geen gebruik gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Gelet op artikel 18, vijfde lid, van de PW en artikel 31, eerste lid, van de Verordening leidt dit tot een verlaging van de bijstand van 100% gedurende een maand. Appellant heeft onvoldoende inspanningen verricht om zich voor de afspraken af te melden. Het is niet zo dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In de door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden wordt geen aanleiding gezien om wegens dringende redenen af te zien van het opleggen van een maatregel. De maatregel van 100% gedurende een maand wordt dan ook proportioneel geacht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 18, vierde lid, van de PW verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:

[…]

h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.1.2.

Op grond van het vijfde lid van artikel 18 van de PW verlaagt het college, in het geval van het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in het vierde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. Op grond van artikel 18, negende lid, van de PW ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.1.3.

Artikel 18, tiende lid, van de PW bepaalt dat het college een op te leggen maatregel of opgelegde maatregel afstemt op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.

4.2.

Aan artikel 18, vijfde lid, van de PW is toepassing gegeven in artikel 31, eerste lid, van de Verordening, waarin is bepaald dat de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bedraagt, indien - voor zover thans van belang - een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de PW niet nakomt.

4.3.

Niet in geschil is dat het traject een voorziening is als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW. Evenmin is in geschil dat appellant meerdere keren, zonder bericht, niet is verschenen op het traject en daarmee de in deze bepaling neergelegde verplichting niet is nagekomen.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat elke vorm van verwijtbaarheid bij hem ontbreekt om de volgende reden. Hij is door zijn moeder uit hun woning gezet. Daarnaast zijn er eerder momenten geweest dat gedreigd werd hem uit de woning te zetten. Op deze momenten was appellant bang dat hij, indien hij de woning zou verlaten, niet meer binnen zou kunnen komen. Ook heeft hij zijn contactpersoon op de hoogte gesteld van zijn thuissituatie.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was te verschijnen op het traject dan wel zich tijdig af te melden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is niet gebleken dat het voor appellant niet mogelijk was om in ieder geval zijn leidinggevende bij [naam traject] op de hoogte te stellen van zijn verhindering. Daarnaast heeft appellant in eerste instantie als reden voor verhindering opgegeven dat hij zich verslapen had en een andermaal dat hij gezondheidsklachten had. Deze redenen voor verhindering voor het niet verschijnen op het traject betreffen niet zijn thuissituatie. Ook is niet gebleken dat appellant van zijn contactpersoon toestemming heeft gekregen om vanwege zijn thuissituatie zonder bericht niet te verschijnen op het traject.

4.6.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de maatregel niet proportioneel is gezien zijn thuissituatie. Zoals ter zitting is besproken, moet deze beroepsgrond zo worden begrepen dat appellant hiermee aanvoert dat het college, gezien de thuissituatie van appellant, de maatregel nader had moeten afstemmen op grond van artikel 18, tiende lid, van de PW. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het college heeft in de enkele verwijzing van appellant naar zijn thuissituatie terecht geen aanleiding gezien om de maatregel op grond van artikel 18,

tiende lid, van de PW, zoals deze bepaling door de Raad is uitgelegd in zijn uitspraken van

12 september 2017, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2017:3676, nader af te stemmen op grond van dringende redenen gelet op bijzondere omstandigheden.

4.7.

Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat het college ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten van de bezwaarprocedure, nu het besluit van 30 juni 2016 onjuist is gebleken en appellant genoodzaakt was rechtshulp in te schakelen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:97) is van herroepen in de zin van dit artikel alleen sprake indien het besluit waartegen het bezwaar is gericht wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. In dit geval doet deze situatie zich niet voor. Uit 4.3, 4.5 en 4.6 volgt immers dat het besluit van 30 juni 2016 ook in hoger beroep in stand wordt gelaten. Dat het college de grondslag van dat besluit bij het bestreden besluit heeft gewijzigd, maakt niet dat sprake is van een herroeping in de hiervoor bedoelde zin. De enkele omstandigheid dat appellant rechtshulp heeft moeten inschakelen om het besluit van 30 juni 2016 aan te vechten, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit het gebruik van het woord ‘uitsluitend’ in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb kan worden afgeleid dat er geen ruimte is voor het college om kosten te vergoeden indien er geen sprake is van het herroepen van een besluit.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2019.


(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md