Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
17/8270 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Kasstortingen. Herkomst onduidelijk. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8270 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 november 2017, 17/1856 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak: 7 mei 2019

Zitting heeft: mr. G.M.G. Hink

Griffier: V.Y. van Almelo

Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C.N. van Dijk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellant heeft zich op 5 januari 2017 gemeld om bijstand aan te vragen. In geschil is de afwijzing door het college van de aanvraag van appellant om bijstand bij besluit van

23 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2017 (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat appellant over stortingen op zijn bankrekeningen geen eenduidige en verifieerbare uitleg heeft gegeven over de herkomst. Daarom kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Het gaat om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat appellant zijn financiële situatie niet duidelijk heeft gemaakt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De financiële situatie van appellant is niet duidelijk, omdat uit de rekeningafschriften blijkt dat hij contante stortingen op zijn bankrekening heeft ontvangen variërend van € 35,- tot € 425,-. Appellant heeft de herkomst van deze stortingen niet met verifieerbare en objectiveerbare gegevens kunnen verklaren, maar heeft hierover wisselende verklaringen afgelegd. Daarnaast komen de in beroep en hoger beroep overgelegde verklaringen van derden niet precies overeen met de door appellant gesteld geleende bedragen. De beroepsgrond dat appellant voldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, slaagt dan ook niet.

Dit betekent dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) V.Y. van Almelo (getekend) G.M.G. Hink