Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
17/651 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 18f, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (ZVW) is de Svb gehouden om de bestuursrechtelijke premie in opdracht van CAK geheel of voor een door CAK te bepalen gedeelte in te houden op het AOW-pensioen van appellante. Uitsluitend CAK is bevoegd de hoogte van het in te houden bedrag vast te stellen. Op de Svb ligt niet de verplichting (op grond van de ZVW) om te toetsen of na de inhouding tenminste een bedrag resteert gelijk aan het toepasselijke sociaal minimum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 651 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

12 januari 2017, 15/7722 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 17 mei 2019

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2019. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontvangt een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 6 juli 2015 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat op verzoek van het Zorginstituut Nederland (nu CAK) met ingang van augustus 2015 een bedrag van € 152,53 aan bestuursrechtelijke premie wordt ingehouden op haar AOW-pensioen.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 11 november 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juli 2015 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de Svb bij de inhouding van de bestuursrechtelijke premie op haar AOW-pensioen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de voor haar geldende beslagvrije voet. Daardoor ontvangt zij te weinig AOW-pensioen per maand.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 18f, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet (ZVW) is de Svb gehouden om de bestuursrechtelijke premie in opdracht van CAK geheel of voor een door CAK te bepalen gedeelte in te houden op het AOW-pensioen van appellante. Hieruit kan worden afgeleid dat uitsluitend CAK bevoegd is de hoogte van het in te houden bedrag vast te stellen. De ZVW legt de Svb niet de verplichting op om te toetsen of na de inhouding tenminste een bedrag resteert gelijk aan het toepasselijke sociaal minimum.

4.2.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2019.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M.A.A. Traousis

md