Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
17/8008 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete. Schending inlichtingenverplichting door op geld waardeerbare werkzaamheden niet te melden heeft college aangetoond. Normale verwijtbaarheid. Afgestemd op draagkracht. Evenredige boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 8008 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2017, 17/3603 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 7 mei 2019

Zitting heeft: M. Hillen

Griffier: S.H.H. Slaats

Ter zitting is appellant niet verschenen.

Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij besluit van 9 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 april 2017 heeft het college appellant een boete opgelegd van € 1.675,- omdat appellant niet aan het college heeft gemeld dat hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 november 2015 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Het college is bij het opleggen van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft aanleiding gezien de boete te matigen in verband met de draagkracht van appellant.

2. Vaststaat dat appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

5 juni 2017 (procedurenummer 16/3572) geen hoger beroep heeft ingesteld zodat de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 2015 tot en met

30 november 2015 wegens schending van de inlichtingenverplichting in rechte zijn komen vast te staan. Met betrekking tot de oplegging van de boete moet over de schending van de inlichtingenverplichting evenwel zelfstandig een oordeel worden gegeven.

3. Het betoog van appellant dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat hij als muzikant slechts hobbymatig heeft opgetreden en omdat van op geld waardeerbare werkzaamheden geen sprake was, omdat hij voor de optredens geen vergoeding heeft ontvangen, houdt geen stand. Van belang is immers ook het inkomen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Bovendien heeft appellant diverse keren voor zijn optredens een vergoeding in de vorm van gratis drank en/of eten ontvangen. Gelet op de aard, de omvang en de duur van de door appellant verrichte werkzaamheden is sprake van op geld waardeerbare arbeid. Uit gegevens op Facebook blijkt dat appellant in de te beoordelen periode veelvuldig heeft opgetreden in cafés en zalencentra, wat appellant tijdens een tweetal gesprekken op 9 november 2015 en 27 november 2015 ook heeft bevestigd. Door het college niet van deze activiteiten op de hoogte te stellen, heeft appellant in strijd gehandeld met de voor hem geldende inlichtingenverplichting.

4. Nu het college met het aantonen van de schending van de inlichtingenverplichting heeft voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van 18a, eerste lid, van de PW, was het college in beginsel gehouden een boete op te leggen.

5. Het college is bij het opleggen van de boete terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Bij normale verwijtbaarheid speelt, anders dan bij opzet, het willens en wetens handelen of nalaten geen rol. Appellant heeft de door hem gestelde psychische problematiek en gezondheidstoestand niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken waaruit blijkt dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij zijn optredens als muzikant had moeten melden bij het college. De schending van de inlichtingenverplichting kan appellant dan ook worden verweten.

6. Het college heeft de boete in verband met de draagkracht van appellant gematigd tot

€ 1.675,- zodat appellant deze boete in een periode van twaalf maanden met 10% van de voor hem geldende bijstandsnorm zou kunnen voldoen. Anders dan appellant heeft betoogd, is deze boete evenredig. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete voor de bepaling van de fictieve (minimum) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel en steeds 10% van de toepasselijke bijstandsnorm moet worden aangehouden. Dit betekent dat gedurende een bepaalde periode het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet - ongeacht of die ruimte de facto op andere wijze is beperkt of ingenomen - beschikbaar is of wordt aangewend voor het betalen van de boete.

7. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) S.S.H. Slaats (getekend) M. Hillen