Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
17/4523 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:3645, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht. Nazorg. De korpschef heeft ten onrechte geweigerd om aansprakelijkheid te erkennen en ten onrechte het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Zorgplicht bestuursorgaan tegenover de ambtenaar. Onvoldoende (na)zorg in het bijzonder wat betreft de zorg rondom de door appellante gemelde incidenten in het tijdvak 1998-2004 en daarna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2019/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4523 AW

Datum uitspraak: 16 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 mei 2017, 14/5021 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V. Dolderman, advocaat, hoger beroep ingesteld, de hoger beroepsgronden aangevuld en nadere stukken ingediend.

Namens de korpschef heeft mr. M.C.J. van den Brekel, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dolderman en mr. T.J. van der Torn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Boer, advocaat, en mr. G. Revet.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1971, is vanaf 1 maart 1995 in dienst geweest bij de voormalige politieregio [regio] . Zij begon als aspirant van politie, werd per [in] 1999 medewerker [functie 1] , per 1 oktober 2000 medewerker [functie 2] en vanaf 16 mei 2008 [functie 3] bij het bureau [bureau 1] . Zij werkte in de executieve dienst in de noodhulp van 1 oktober 1996 tot 1 september 1999 op het bureau [bureau 2] en van 4 september 1999 tot 16 mei 2008 op het bureau [bureau 3] te [plaatsnaam] .

1.2.

In de jaren 1998 tot en met 2004 is appellante in haar werk veelvuldig geconfronteerd met ernstige incidenten en traumatische gebeurtenissen. Zij is meermaals vanwege diverse gezondheidsklachten uitgevallen. Vanaf september 2008 is zij volledig uitgevallen voor haar werkzaamheden wegens ziekte. De bedrijfsarts heeft in juli 2010 vastgesteld dat appellante lijdt aan een posttraumatische stress-stoornis (PTSS). De korpsbeheerder van de politieregio [regio] heeft bij besluit van 6 december 2010 de ziekte van appellante aangemerkt als een beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en de bijbehorende voorzieningen toegekend. Per 1 maart 2011 is aan appellante eervol ontslag verleend vanwege arbeidsongeschiktheid wegens ziekte.

1.3.

Bij brief van 30 mei 2012 heeft appellante verzocht om vergoeding van schade die zij heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden en die zij daardoor nog zal lijden. Bij besluit van 29 juli 2013, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 23 april 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef geweigerd om aansprakelijkheid te erkennen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daaraan heeft de korpschef, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat geen sprake was van buitensporige omstandigheden in het werk van appellante noch van schending van de zorgplicht. Van onrechtmatig gedrag van een ondergeschikte jegens appellante is geen bewijs geleverd. Er is geen strijd met de norm van goed werkgeverschap, aldus de korpschef.

2.1.1.

Bij tussenuitspraak van de rechtbank van 19 juni 2015 is de korpschef in de gelegenheid gesteld om (onder meer) nader toe te lichten in welke mate de incidenten tijdens de loopbaan van appellante inherent zijn aan de functie, in die zin dat een politieambtenaar in executieve dienst dergelijke incidenten ook pleegt te ondervinden. De korpschef moet hard maken dat het aantal door appellante gemelde en bij de korpschef bekende en als ernstig onderkende incidenten in de periode 1998-2004 niet als buitensporig zijn aan te merken.
2.1.2. Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft de korpschef de motivering van het bestreden besluit aangevuld en herhaald dat de meegemaakte en aannemelijk geachte incidenten in de periode 1998-2004 inherent zijn aan de functie van appellante. Deze incidenten zijn zeker voor een politieambtenaar in de noodhulp niet als buitensporig aan te merken. Ze zijn niet zeer uitzonderlijk, ook niet in frequentie. De conclusie dat het bezwaar tegen het besluit van

29 juli 2013 ongegrond is, blijft gehandhaafd.

2.1.3.

Bij tussenuitspraak van 16 oktober 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef met de thans door hem overgelegde gegevens niet genoegzaam heeft aangetoond dat de door appellante meegemaakte incidenten inherent zijn aan de functie van executieve politieambtenaar. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het aan de korpschef is om aan te tonen dat aan de zorgplicht is voldaan door het daadwerkelijk aanbieden van zorg, dat er opvanggesprekken hebben plaatsgevonden en dat appellante opvang heeft afgewezen. Wat de korpschef daartoe eerder had aangevoerd was naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Niet is gebleken dat appellante daadwerkelijk nazorg is geboden, dat er opvanggesprekken hebben plaatsgevonden en dat appellante opvang heeft afgewezen. De korpschef heeft geen concrete gegevens overgelegd die laten zien dat er opvang is aangeboden.

2.1.4.

Bij brief van 23 mei 2016 heeft de korpschef zijn standpunt dat hij voldoende nazorg heeft geboden nader toegelicht.

2.2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2.2.2.

Kort samengevat heeft de rechtbank overwogen dat de korpschef niet meer de eis stelt dat in een geval als hier aan de orde noodzakelijk is dat de werkzaamheden of de werkomstandigheden een buitensporig karakter hebben. De korpschef heeft aanvaard dat er causaliteit bestaat tussen de uitoefening van de werkzaamheden van appellante en de PTSS. Het geschil is daarmee beperkt tot de vraag of de korpschef zijn zorgplicht jegens appellante is nagekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef met zijn brief van 23 mei 2016 heeft aangetoond dat de nazorg voldoende is geweest en dat hij terecht geen aansprakelijkheid wegens schending van de zorgplicht heeft aangenomen. Omdat het motiveringsgebrek ter zake van de zorgplicht door de brief van 23 mei 2016 is hersteld, berust het besluit nu op een voldoende grondslag. Daarom heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover hierbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gebleven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de vraag of de korpschef zijn zorgplicht is nagekomen, in het bijzonder wat betreft de zorg rondom de door appellante gemelde incidenten in het tijdvak 1998-2004 en daarna.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraken van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072 en 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:98) heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.3.

Op de korpschef rust in beginsel de last om aannemelijk te maken dat de nazorg voldoende is geweest, uitgaande van de omstandigheden van het geval en van de toenmalige stand van de wetenschap. Indien dusdanige tekortkomingen naar voren komen dat deze als een schending van de zorgplicht moeten worden aangemerkt, wordt het causaal verband met de PTSS als een gegeven beschouwd, tenzij de korpschef aannemelijk maakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan (na)zorg kan worden toegeschreven. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 25 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1164 en 14 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4336.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep als eerste grond aangevoerd dat de korpschef er met zijn brief van 23 mei 2016 niet in is geslaagd aan te tonen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen nu hij in die brief geen nieuwe of andere gegevens heeft overgelegd of argumenten heeft aangevoerd dan die zich reeds in het dossier bevonden en waarover de rechtbank in haar tussenuitspraak van 16 oktober 2015 reeds heeft geoordeeld dat deze gegevens en argumenten onvoldoende zijn om aan te tonen dat de korpschef voldoende zorg heeft verleend. Het oordeel in de aangevallen uitspraak dat de korpschef door voornoemde brief wel in voldoende mate heeft aangetoond dat aan appellante voldoende zorg is aangeboden, is dan ook onbegrijpelijk.

4.5.

Deze grond slaagt. De korpschef heeft in de brief van 23 mei 2016 gesteld dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel dat over de periode 1998-2000 niet is aangetoond dat opvang aan appellante is aangeboden. Hij heeft vervolgens gewezen op een drietal mutatieformulieren betreffende de incidenten, op een door appellante bij haar beroepsschrift overgelegde verklaring van O en op diverse andere verklaringen van collega’s en een toenmalige leidinggevende van appellante. Al deze stukken bevonden zich reeds in het dossier, zodat moet worden aangenomen dat de rechtbank, alvorens tussenuitspraak te doen, van deze gegevens heeft kennis genomen en deze, gelet op haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel, onvoldoende overtuigend heeft bevonden. Daarbij komt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet expliciet is teruggekomen van dit oordeel in haar tussenuitspraak van 16 oktober 2015. Nu de korpschef geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de tussenuitspraak van 16 oktober 2015, staat het in die uitspraak gegeven oordeel in rechte vast.

4.6.

Nu de korpschef in de procedure in hoger beroep geen nieuwe standpunten heeft ingenomen of nadere informatie heeft overgelegd over de aan appellante verleende zorg, waarbij namens de korpschef ter zitting is meegedeeld dat over de periode vóór 2003 geen administratie aanwezig is over de bedrijfsopvang, moet worden geconcludeerd dat de korpschef niet heeft aangetoond dat hij in de genoemde periode aan appellante voldoende (na)zorg heeft verleend. Uit het voorgaande volgt dat de korpschef de gevraagde schadevergoeding op onjuiste gronden heeft afgewezen. Dat betekent dat het hoger beroep van appellante slaagt. De Raad komt daardoor niet toe aan bespreking van de overige door appellante aangevoerde gronden.

4.7.

De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 april 2014 in stand zijn gelaten. De korpschef zal zich alsnog inhoudelijk moeten uitlaten over het verzoek van appellante, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, in het bijzonder het criterium genoemd onder rechtsoverweging 4.3. Nu in wezen een geheel nieuwe beoordeling van het verzoek van appellante moet plaatsvinden, ziet de Raad geen mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien. Wel ziet de Raad met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door de korpschef te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de kosten die appellante in hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.280,- voor verleende rechtsbijstand en € 1.400,- voor het rapport van prof. dr. B.P.R. Gersons.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde

besluit van 23 april 2014 in stand zijn gelaten;

- bepaalt dat de korpschef een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van

deze uitspraak;

- bepaalt dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.680,-;

- bepaalt dat de korpschef aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 296,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) Y. Itkal

md