Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
17/6494 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende feitelijke grondslag voor hoofdverblijf op het uitkeringsadres in de hele periode in geding. Herziening in verband met kasstortingen. Er is geen aanleiding om de kasstoringen niet als inkomen aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6494 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

16 augustus 2017, 16/1792 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 14 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Gül, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gül. Als tolk is verschenen A .O. Adam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. A . Flapper.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 14 augustus 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (BRP) op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Uit de relatie van appellant en [naam 1] ( [X] ) zijn twee kinderen geboren. [X] staat vanaf 27 januari 2014 samen met haar vijf kinderen ingeschreven in de BRP op het adres [adres 2] (adres [X] ).

1.3.

Naar aanleiding van een melding van de Politie Midden-Nederland van 28 januari 2015 van een vermoeden van woonfraude op het uitkeringsadres in verband met woonoverlast door wisselende bewoners, bestaande uit gevechten en geluidsoverlast, en een vermoeden van onderverhuur aan Poolse arbeiders, heeft een sociaal rechercheur van het team Handhaving, afdeling Werk en Inkomen van Sociale Zaken van de gemeente Almere (team Handhaving) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht en informatie opgevraagd bij woningbouwvereniging de Alliantie. Voorts hebben de sociaal rechercheur, een bijzonder controleur en andere sociaal rechercheurs van team Handhaving in de periode van 11 maart 2015 tot en met 14 april 2015 waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en het adres van [X] , drie buurtbewoners van het adres van [X] als getuige gehoord en buurtbewoners in de omgeving van het uitkeringsadres, [naam 2] (B) en

[naam 3] (C), gehoord. Op 14 april 2015 zijn huisbezoeken afgelegd op het adres van [X] en het uitkeringsadres en is [X] gehoord. Appellant is op 22 april 2015, 29 april 2015 en

19 mei 2015 gehoord. Tevens heeft de sociaal rechercheur afschriften van de bankrekening op naam van appellant opgevraagd en onderzocht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 juni 2015.

1.4.

Appellant heeft begin april 2015 een mutatieformulier ingeleverd en daarop vermeld dat hij met ingang van 24 maart 2015 inkomsten uit arbeid ontvangt.

1.5.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

15 juli 2015 de bijstand van appellant met ingang van 16 augustus 2012 in te trekken. Bij besluit van 10 augustus 2015 heeft het college vervolgens de kosten van bijstand over de periode van 16 augustus 2012 tot en met 31 maart 2015 tot een bedrag van € 36.514,75 van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 18 februari 2016 heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 15 juli 2015 en 10 augustus 2015 gegrond verklaard, deze besluiten herroepen, de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 3 maart 2014 en herzien over de maanden september en november 2012, maart, mei en september 2013 (maanden waarover is herzien) en de kosten van bijstand van appellant teruggevorderd over de periode van 3 maart 2014 tot en met 31 maart 2015 en over de maanden waarover is herzien, tot een bedrag van

€ 17.244,11. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 3 maart 2014 niet langer zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres en dat hij aan het college daarvan in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gedaan. In de maanden waarover is herzien zijn op de bankrekening van appellant contante kasstortingen ontvangen. De herkomst van deze kasstortingen is onduidelijk gebleven. Appellant heeft deze kasstortingen op zijn bankrekening evenmin gemeld bij het college, zodat hij ook hierover de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft deze stortingen als inkomen van appellant aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht.

2.1.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college in de gelegenheid gesteld het bedrag van de terugvordering nader toe te lichten. Bij brief van 22 december 2016 heeft het college een nadere specificatie overgelegd. Appellant heeft bij brief van 26 januari 2017 een reactie ingediend. Het college heeft hierop bij brief van 8 maart 2017 een reactie gegeven.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking in verband met de woon- en verblijfplaats

4.1.

De periode in geding voor wat betreft de intrekking loopt van 3 maart 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot 24 maart 2015, de datum met ingang waarvan appellant inkomsten uit arbeid ontvangt.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis van de relevante feiten moet verzamelen.

4.3.

Waar een betrokkene zijn woonadres heeft, is daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordiger van het college naar voren gebracht dat het college zijn standpunt dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf niet langer op het uitkeringsadres had, baseert op de verklaringen van B en C, de informatie van woningbouwvereniging de Alliantie, de waarnemingen en de bevindingen van het huisbezoek op het uitkeringsadres.

4.5.

De beroepsgrond van appellant, zoals ter zitting van de Raad nader toegelicht, dat de verklaringen van getuigen B en C buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat hun huisnummers niet staan vermeld en deze verklaringen daarom niet verifieerbaar en betrouwbaar zijn, slaagt niet. Uit het rapport van 10 juni 2015 blijkt dat de sociale recherche in de omgeving nabij het uitkeringsadres een buurtonderzoek heeft verricht en daar getuige B heeft gesproken en haar verklaring dat zij 9,5 jaar woont op een adres op de [adres 1] in de BRP heeft geverifieerd. Getuige C heeft verklaard dat zij sinds 2006 woonachtig is op de [adres 1] in de directe nabijheid van het uitkeringsadres. De namen van beide getuigen staan vermeld in de verklaringen. Dit betekent dat het college deze verklaringen aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

4.6.

De bevindingen uit het in 4.4 vermelde onderzoek geven wel aanleiding om voor de beantwoording van de vraag of de bevindingen toereikend zijn voor de conclusie dat appellant in de periode in geding zijn hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres, onderscheid in periodes te maken. Daartoe is het volgende van belang.

Periode van 3 maart 2014 tot en met 31 augustus 2014

4.7.1.

B heeft op 14 april 2015 verklaard dat zij appellant van de haar getoonde foto herkent als de man die op het uitkeringsadres woonde met zijn vrouw en twee kinderen, een Somalisch gezin. Zij heeft verklaard dat de man er nu niet woont en dat zij hem nooit ziet. Zij zou niet weten wie er woont op dit moment. Het wisselt zo vaak. Nadat appellant er woonde met vrouw en kinderen kwamen er Polen. De Polen bezorgden veel overlast en woonden er niet lang, zij denkt een half jaar. In de zomer van 2014 zijn zij vertrokken. Daarna is het onduidelijk wie er woont. B ziet er niemand meer, wel merkt zij dat het hek wordt gesloten als het open is gewaaid.

4.7.2.

C heeft op 16 april 2015 verklaard dat de woning op het uitkeringsadres volgens haar van een Somalische man is. Zij ziet hem ongeveer één keer in de twee of drie weken. Hij gaat dan de woning binnen, waarna zij wat gestommel hoort en de man vervolgens weer ziet of hoort vertrekken. Zij herkent appellant van de haar getoonde foto als de Somalische man. In het begin heeft zij de man gezien met een vrouw en kinderen; daarna heeft zij hem of haar zelden gezien. Daarna heeft zij een man van Noord-Afrikaanse afkomst gezien, die daar volgens haar woonachtig was, dit was ongeveer in 2013. Zij heeft hem wel een jaar gezien. Hierna hebben meerdere Polen in de woning op het uitkeringsadres gewoond, dit is in 2014 geweest voor een periode van ongeveer een half jaar. Dit speelde zich voornamelijk in de zomer van 2014 af. Zij heeft veel overlast van deze Polen gehad en heeft hen daarop aangesproken. Nadat de Polen in het najaar van 2014 zijn vertrokken, heeft zij geen andere personen in de woning op het uitkeringsadres gezien. De gordijnen van deze woning zaten altijd dicht. Of er echt iemand verbleef, durft zij daarom niet te zeggen. Wel zag zij appellant één keer in de twee of drie weken.

4.7.3.

Uit e-mailberichten van een medewerker van de Alliantie van 26 maart 2015 en

16 april 2015 en uit de op 7 januari 2016 aan een medewerker van de gemeente Almere gegeven telefonische toelichting blijkt dat de eerste melding van overlast van Poolse mensen dateert van 3 maart 2014. Vanaf toen zijn er meerdere meldingen van overlast en onderverhuur van buurtbewoners van het uitkeringsadres binnengekomen bij de Alliantie. In het e-mailbericht van 26 maart 2015 staat verder vermeld dat een tiental huisbezoeken zijn gedaan en dat er geen mensen werden aangetroffen of dat men de deur niet wilde openen. In het e-mailbericht van 16 april 2015 van de medewerker van de Alliantie staat vermeld dat appellant onder (een klein beetje) druk alsnog de huur heeft opgezegd per 15 mei 2015.

4.7.4.

De verklaringen van getuigen B en C over het verblijf van meerdere Polen in de woning op het uitkeringsadres en de periode en duur van dit verblijf, stemmen overeen. De getuigen hebben appellant voor die periode wel op het uitkeringsadres gezien en daarna niet meer, dan wel zelden. Deze verklaringen komen bovendien overeen met de informatie van de Alliantie. Hieruit blijkt dat in de periode van 3 maart 2014 tot en met 31 augustus 2014, een periode van ongeveer een half jaar tot het najaar van 2014, in de woning op het uitkeringsadres meerdere Polen hebben verbleven, die in die periode voor overlast hebben gezorgd. Het betoog van appellant dat hieruit niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake was van onderverhuur van de woning op het uitkeringsadres omdat er slechts één keer een melding van overlast is geweest in een weekend waarin hij zelf niet thuis was maar waarin hij een vriend in zijn woning heeft gelaten, kan niet worden gevolgd. Anders dan appellant stelt, is geen sprake van een eenmalig incident van overlast, maar spreken beide getuigen van veel overlast en over een periode van een half jaar. Ook uit de informatie van de Alliantie blijkt dat gedurende een langere periode sprake is geweest van overlast. Dit betekent dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode van 3 maart 2014 tot en met 31 augustus 2014 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning op het uitkeringsadres.

Periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015

4.8.1.

Met betrekking tot de periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015 zijn de verklaringen van B en C echter onvoldoende concreet en specifiek om de conclusie te rechtvaardigen dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De verklaring van B dat appellant ten tijde van haar verklaring op 14 april 2015 niet op het uitkeringsadres woonde, bevat onvoldoende feiten of omstandigheden die duidelijk maken hoe zij tot deze conclusie over de periode na de zomer 2014 is gekomen en waarop zij haar wetenschap baseert. Daarbij is van belang dat B ook heeft verklaard dat het onduidelijk is wie er woont, dat zij niemand ziet, maar wel merkt dat het hek wordt gesloten als het is open gewaaid. C heeft verklaard niet te durven zeggen of er na het vertrek van de Polen in het najaar van 2014 wel of niet iemand verbleef in de woning op het uitkeringsadres, omdat de gordijnen altijd dicht zaten. Wel zag zij appellant één keer in de twee of drie weken.

4.8.2.

Uit de informatie van de Alliantie is niet op te maken van welke data de meldingen van overlast dateren en op welk momenten huisbezoeken zijn afgelegd. Verder blijkt uit het verslag van de waarnemingen die tussen 11 maart 2015 tot en met 23 maart 2015 zijn verricht dat bij vier waarnemingen de gordijnen van de woning op het uitkeringsadres gesloten bleken, zodat niet kon worden waargenomen wie zich daarin bevond. Daarnaast is de auto op naam van appellant tijdens één van deze waarnemingen aangetroffen voor de woning. Deze waarnemingen bieden daarom onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellant geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.8.3.

Vaststaat dat het huisbezoek aan de woning op het uitkeringsadres heeft plaatsgevonden na de periode in geding. Anders dan het college heeft betoogd, is in deze onderzoeksbevindingen geen aanknopingspunt te vinden voor de woon- en leefsituatie van appellant in de periode in geding. Uit de omstandigheid dat op 14 april 2015 naast kleding, verzorgingsspullen en brieven en administratie op naam van appellant, ook kleding en brieven en stukken op naam van verschillende andere personen zijn aangetroffen, kan niet worden afgeleid dat appellant in de periode in geding geen hoofdverblijf op dat adres heeft gehad.

4.9.

Uit 4.8.1 tot en met 4.8.3 volgt dat voor de conclusie van het college dat appellant in de periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015 niet het hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres onvoldoende feitelijke grondslag bestaat.

Herziening in verband met kasstortingen

4.10.

Niet in geschil is dat in de maanden waarover is herzien diverse kasstortingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van appellant. Voorts is niet in geschil dat appellant het college hierover niet tijdig heeft ingelicht. Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of deze bedragen als inkomen moeten worden aangemerkt.

4.11.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

4.12.

De beroepsgrond van appellant dat de gestorte bedragen geen inkomsten zijn omdat het gaat om eigen geld dat hij eerder van zijn bankrekening heeft opgenomen en vervolgens heeft teruggestort, slaagt niet. Er ontbreekt een duidelijke samenhang tussen de contant opgenomen bedragen en de gestorte bedragen. Daarnaast heeft het college er terecht op gewezen dat de beroepsgrond niet te rijmen is met de door appellant op 19 mei 2015 tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring dat de kasstortingen afkomstig zijn van landgenoten van hem en bedoeld waren voor inrichtingskosten voor het huis, boodschappen en rijlessen van appellant. Het betoog van appellant dat sprake is van een misverstand en dat hij daarom niet aan deze verklaring kan worden gehouden, kan niet tot een ander oordeel leiden. Appellant heeft na voorlezing ervan in zijn verklaring volhard. Daargelaten dat er geen aanleiding bestaat appellant niet te houden aan zijn op 19 mei 2015 tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring, heeft appellant de herkomst van de kasstortingen niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt.

4.13.

Uit 4.11 en 4.12 volgt dat de kasstortingen op de bankrekening van appellant als inkomen van appellant in aanmerking moeten worden genomen. Nu appellant van de kasstortingen niet direct en uit eigen beweging melding heeft gemaakt bij het college, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat het college als gevolg hiervan een te hoog bedrag aan bijstand aan appellant heeft verleend, was het college gehouden om de bijstand in de betreffende maanden te herzien door de kasstortingen als inkomen aan te merken en op de bijstand in mindering te brengen.

Conclusie

4.14.1.

Uit 4.9 volgt dat het standpunt van het college dat appellant in de periode van

1 september 2014 tot 24 maart 2015 geen hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres op een onvoldoende feitelijke grondslag berust. Dit leidt tot de slotsom dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat in die periode aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering van de bijstand was voldaan. De intrekking over de periode van 3 maart 2014 tot en met 31 augustus 2014 berust wel op een voldoende feitelijke grondslag. De herziening van de bijstand over de maanden september en november 2012 en maart, mei en september 2013 berust eveneens op een voldoende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

4.14.2.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015. In aanmerking genomen dat geen grondslag bestaat voor de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over die periode en dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit tevens worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Mede in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft verklaard dat geen nader onderzoek mogelijk is, dat het door het tijdsverloop onaannemelijk is dat het college het geconstateerde gebrek alsnog kan herstellen en dat appellant gelet op zijn inkomen uit arbeid met ingang van 24 maart 2015 geen aanspraak meer maakt op bijstand, ziet de Raad aanleiding om het besluit van 15 juli 2015 te herroepen voor zover het de intrekking over de periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015 betreft en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit, voor zover het de intrekking betreft.

4.14.3.

Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 3 maart 2014 tot en met 31 augustus 2014 en de maanden in geding. De Raad heeft onvoldoende gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Aanleiding bestaat het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 augustus 2015, voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft.

4.14.4.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.280,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.304,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 februari 2016 voor zover het

betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 1 september 2014 tot

24 maart 2015 en de terugvordering;

- herroept het besluit van 15 juli 2015 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand

over de periode van 1 september 2014 tot 24 maart 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 18 februari 2016;

- draagt het college op met betrekking tot de terugvordering een nieuwe beslissing op het

bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2015 te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.304,-;

- bepaalt dat het college het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 170,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en G.M.G. Hink en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) S.H.H. Slaats

lh