Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
16/1517 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering WW-uitkering. Geen melding gemaakt van werkzaamheden als zelfstandige. Inlichtingenverplichting geschonden. Uitgaande van een arbeidsurenverlies van 36 uren, resteerde per 16 april 2012 een WW-recht van 2 uur. Pas in de week van 2 juli 2012 is appellant 38 uur als zelfstandige gaan werken, met als gevolg dat er vanaf die datum geen WW-recht resteerde. Het Uwv heeft het recht echter per 16 april 2012 ingetrokken, aldus ten onrechte toepassing gevend aan artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met het vierde lid, aanhef en onder a, van de WW. De intrekking van de uitkering over de periode van 16 april 2012 tot 2 juli 2012 kan daarom geen stand houden. Aangezien de herziening van de WW-uitkering over de periode van 16 april 2012 tot 2 juli 2012 geen stand kan houden, kan ook de terugvordering niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2019/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1517 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 januari 2016, 15/338 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G. Evers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Evers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 11 april 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een arbeidsurenverlies van 38 uur.

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding dat appellant zich mogelijk niet heeft gehouden aan verplichtingen op grond van de WW is het Uwv een onderzoek gestart. Dit onderzoek heeft geleid tot een onderzoeksrapport van 8 juli 2014 van een handhavingsdeskundige van de Directie Handhaving van het Uwv.

1.3.

Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) per 16 april 2012. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant sinds 16 april 2012 volledig als zelfstandige werkzaam is.

1.4.

Bij besluit van 8 september 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 9 april 2012 herzien en vanaf 16 april 2012 ingetrokken. Hieraan ligt ten grondslag dat gebleken is dat appellant vanaf 9 april 2012 30 uur en vanaf 16 april 2012 34 uur als zelfstandige heeft gewerkt. Tevens heeft het Uwv over de periode van 9 april 2012 tot en met 15 juni 2014 een bedrag van in totaal € 73.201,25 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 11 september 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellant het bedrag van € 73.201,25 in een keer binnen zes weken moet betalen.

1.6.

Bij besluit van 22 december 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de onder 1.4 en 1.5 genoemde besluiten ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant tegen het besluit van 6 augustus 2014 geen bezwaar heeft gemaakt, zodat dit besluit in rechte vaststaat en de rechtbank zich slechts een oordeel kan vormen over de periode van 9 april 2012 tot 16 april 2012. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige destijds bij het Uwv heeft gemeld. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat uit de stukken weliswaar blijkt dat werkcoach E.J. Vermeer betrokken is geweest bij het dossier van appellant, maar dat deze de zaak heeft doorgezet naar een e-coach, zodat de werkcoach slechts een beperkte rol heeft gespeeld in het uitkeringstraject van appellant. De werkcoach heeft ook verklaard zich niet meer te kunnen herinneren wat hij met appellant heeft besproken. Appellant heeft voorts weliswaar gesteld dat hij zijn curriculum vitae (cv) in de werkmap heeft geplaatst, maar uit het onderzoeksrapport blijkt dat dit cv in de werkmap ontbreekt. De omstandigheid dat appellant bij een telefonische controle in oktober 2012 heeft doorgegeven dat hij als zelfstandige werkzaam is, maakt dit niet anders, aangezien deze controle heeft plaatsgevonden na 16 april 2012. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat appellant heeft erkend dat hij in zijn WW-aanvraag niet heeft vermeld dat hij als zelfstandige aan het werk was. Dat hij ervan uitging dat er een gegevensuitwisseling zou plaatsvinden tussen de Belastingdienst en het Uwv is een aanname van appellant waarvan de gevolgen voor zijn rekening en risico komen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij zijn werkzaamheden als zelfstandige wel aan het Uwv heeft gemeld; niet alleen heeft hij deze werkzaamheden gemeld aan zijn werkcoach maar ook tijdens een telefonische controle op 16 oktober 2012 heeft hij er melding van gemaakt. Appellant heeft benadrukt dat de werkcoach weliswaar te kennen heeft gegeven zich appellant niet te herinneren, maar hij heeft de door appellant geschetste gang van zaken ook niet bestreden. Volgens appellant is zijn werkcoach niet vervangen door een e-coach. Appellant heeft voorts benadrukt dat de werkcoach de beschikking had over zijn cv, waaruit ook bleek dat hij als zelfstandige werkzaam was. Dat dit stuk in de werkmap ontbreekt, kan hem niet worden verweten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar rechtsoverweging 3 van de aangevallen uitspraak. Daarnaast zijn de volgende wettelijke bepalingen, zoals die golden ten tijde hier in geding, van belang.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

Op grond van artikel 8, tweede lid, van de WW herkrijgt een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien de werkzaamheden worden beëindigd binnen een periode die gelijk is aan de uitkeringsduur, dan wel binnen anderhalf jaar, indien de uitkeringsduur korter is dan anderhalf jaar.

Op grond van artikel 20, eerste lid, van de WW eindigt het recht op uitkering:

a. voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest;

b. voor zover de werknemer niet langer werkloos is;

(…).

Op grond van artikel 20, tweede lid, van de WW eindigt voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is het recht op uitkering ter zake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

Op grond van artikel 20, derde lid, van de WW eindigt voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht dan wel ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren.

Op grond van artikel 20, vierde lid, van de WW eindigt zo nodig in afwijking van het derde lid het recht op uitkering geheel indien de werknemer:

a. al dan niet opeenvolgend een zodanig aantal uren arbeid als werknemer verricht dat een verlies aan arbeidsuren resteert van minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16; of

b. beschikbaar is voor arbeid voor minder dan vijf en minder dan de helft van zijn arbeidsuren, bedoeld in artikel 16.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) vindt – indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt – intrekking of herziening van de uitkering plaats met terugwerkende kracht tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels wordt – indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt – de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben voldaan. Is deze dag niet te bepalen, dan vindt de intrekking of herziening plaats met ingang van de dag vanaf welke het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de Beleidsregels wordt – indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt – de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregels wordt bij samenloop van een of meer situaties als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de vroegste dag.

4.2.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld ligt niet uitsluitend de periode van 9 april 2012 tot 16 april 2012 ter beoordeling voor omdat het besluit van 6 augustus 2014 in rechte vast zou staan. Uit de stukken blijkt immers dat appellant, nadat de betaling van zijn uitkering was gestopt, diverse malen telefonisch contact heeft gehad met het Klant Contact Centrum (KCC) van het Uwv. Dit heeft ertoe geleid dat appellant op 8 augustus 2014 is uitgenodigd voor een gesprek op 12 augustus 2014 met, onder meer, de onder 1.2 genoemde handhavingsdeskundige. Deze heeft nadere informatie bij de voormalig werkgever van appellant en bij appellant zelf ingewonnen. Haar bevindingen, waaronder de door appellant nieuw ingevulde verklaringen van gewerkte uren als zelfstandige, hebben geleid tot het besluit van 8 september 2014, waarmee het besluit van 6 augustus 2014 werd vervangen zodat het moet worden geacht te zijn ingetrokken. Dit betekent dat zowel de herziening van de WW‑uitkering per 9 april 2012 als de intrekking per 16 april 2012 zal worden beoordeeld.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat het bij een herziening en intrekking van uitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren en daarmee te onderbouwen dat geen of minder recht op een uitkering heeft bestaan. Die plicht om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellant zonder daarvan melding te doen vanaf 9 april 2012 heeft gewerkt als zelfstandige, waardoor hij zijn werknemerschap heeft verloren en dus geen recht had op een WW-uitkering over die uren.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant naast zijn WW-uitkering werkzaam is geweest als zelfstandige. Uit de stukken is gebleken dat appellant bij het aanvragen van een WW‑uitkering op 6 maart 2012 geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden als zelfstandige. Bij de vraag naar ander werk en/of inkomen, vraag 6 van het aanvraagformulier, heeft hij ‘nee’ ingevuld, terwijl hij hier zijn werkzaamheden als zelfstandige had moeten vermelden. Appellant heeft verklaard dat hij zijn zelfstandige werkzaamheden niet als zodanig heeft gezien omdat hij geen omzet behaalde en dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat hij vraag 6 met ‘ja’ had moeten beantwoorden. Het had op de weg van appellant gelegen zich bij eventuele onduidelijkheden rond de bedoeling van deze vraag op het aanvraagformulier te wenden tot het Uwv en om opheldering te vragen. Appellant heeft dit niet gedaan. Appellant heeft verder weliswaar verklaard dat hij zijn werkcoach heeft geïnformeerd over zijn werkzaamheden als zelfstandige, maar dit heeft hij niet onderbouwd met enig bewijs. Uit de nadere toelichting van appellant ter zitting is bovendien gebleken dat het contact tussen appellant en de werkcoach (voornamelijk) heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de werkloosheid van appellant. Daar komt nog bij dat appellant er niet van mocht uitgaan dat de werkcoach de uitkeringsafdeling zou informeren over appellants werkzaamheden als zelfstandige. Daarvoor was het aanvraagformulier bedoeld. Ook is niet gebleken dat appellant de werkcoach heeft geïnformeerd over het aanvragen van een WW-uitkering toen hij werkloos werd. De werkcoach zou, zo heeft hij de handhavingsmedewerker meegedeeld, appellant er dan op hebben gewezen dat hij deze uren als zelfstandige bij het Uwv moest melden en dat hij misschien gebruik zou kunnen maken van de startersregeling. Evenmin is gebleken dat het Uwv kennis heeft kunnen nemen van de werkzaamheden als zelfstandige omdat appellant zijn werkcoach in bezit zou hebben gesteld van zijn cv. Het cv is immers niet in de werkmap van appellant aangetroffen. Eerst ter zitting heeft appellant gesteld zijn cv niet in zijn werkmap te hebben geplaatst, maar dit fysiek aan zijn werkcoach te hebben overhandigd. Ook dit heeft hij verder niet onderbouwd. Appellant heeft het Uwv weliswaar tijdens een telefonische controle op 16 oktober 2012 geïnformeerd dat hij naast zijn WW‑uitkering betaalde werkzaamheden verricht, maar hij heeft in dat gesprek ook verklaard dit al bij aanvang van de uitkering aan het Uwv te hebben doorgegeven. Ook heeft appellant deze werkzaamheden destijds niet vermeld op wijzigings- en/of inkomstenformulieren.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.4 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het Uwv bevoegd was de uitkering met terugwerkende kracht te herzien. Voor zover appellant heeft beoogd te stellen dat hij naar aanleiding van het telefoongesprek van 16 oktober 2012 erop mocht vertrouwen dat hij aanspraak zou hebben op een ongekorte uitkering, wordt hij hierin al niet gevolgd, omdat hij zelf in het gesprek niet de juiste informatie aan het Uwv heeft verstrekt.

4.6.

Uit de door appellant op 21 augustus 2014 overgelegde verklaring van gewerkte uren als zelfstandige blijkt dat appellant in de week van 9 april 2012 30 uur heeft gewerkt. Het Uwv heeft de WW-uitkering daarom in die week terecht herzien. In de week van 16 april 2012 is appellant 34 uur werkzaam geweest als zelfstandige. Uitgaande van een arbeidsurenverlies van 36 uren, resteerde per 16 april 2012 een WW-recht van 2 uur. Pas in de week van 2 juli 2012 is appellant 38 uur als zelfstandige gaan werken, met als gevolg dat er vanaf die datum geen WW-recht resteerde. Het Uwv heeft het recht echter per 16 april 2012 ingetrokken, aldus ten onrechte toepassing gevend aan artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met het vierde lid, aanhef en onder a, van de WW. De intrekking van de uitkering over de periode van 16 april 2012 tot 2 juli 2012 kan daarom geen stand houden.

4.7.

Aangezien de herziening van de WW-uitkering over de periode van 16 april 2012 tot 2 juli 2012 geen stand kan houden, kan ook de terugvordering niet in stand blijven.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit zullen worden vernietigd. Omdat de Raad niet over voldoende gegevens beschikt om zelf in de zaak te kunnen voorzien, zal het Uwv worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil en na bespreking hiervan met partijen zal met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden bepaald dat tegen de door het Uwv nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.9.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.048,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2014 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

- bepaalt dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden

ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend ) J.R. Trox

VC