Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
17/4844 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Awb verbindt niet het door appellant gewenste gevolg aan laattijdige indiening verweerschrift. [A] heeft uiteindelijk op 9 juni 2016 een (passend) aanbod voor 24 uur per week aan appellant gedaan. Het is dat concrete aanbod dat appellant vervolgens op 10 juni 2016 telefonisch heeft afgewezen. Enkele dagen later is appellant bij die afwijzing gebleven. Gelet op artikel 27, tweede lid, van de WW was het Uwv derhalve gehouden om de vermindering uit het elfde lid van dat artikel te laten plaats vinden op basis van 24 uur en niet op basis van het volledige aantal arbeidsuren. Geen verdere matiging. Het Uwv zal dit gebrek in het bestreden besluit dienen te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2019-0016
USZ 2019/166
TRA 2019/74 met annotatie van mr. M.J.A.C.. Driessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4844 WW-T

Datum uitspraak: 8 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 mei 2017, 16/5770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.P.J. Tillemans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Toorenburgh, kantoorgenoot van mr. Tillemans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is van 18 augustus 1986 tot 1 december 2015 werkzaam geweest als docent in dienst van de Hogeschool Utrecht. Appellant is met ingang van 1 december 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 36 per week.

1.2.

Begin 2016 heeft [naam A] van [bureau X] B.V. appellant benaderd voor een baan als constructeur. Op 9 juni 2016 is er een gesprek geweest tussen appellant en [A] . Op 10 juni 2016 heeft appellant [A] telefonisch laten weten het werkaanbod af te wijzen. Op 13 juni 2016 heeft [A] de weigering van appellant de hem aangeboden baan te aanvaarden gemeld bij het Uwv. Op 28 juni 2016 heeft het Uwv appellant gevraagd om een toelichting te geven op de constatering dat hij een baan als constructeur voor 32 tot 40 uur per week heeft geweigerd. Op 4 juli 2016 heeft appellant de gevraagde toelichting aan het Uwv verstrekt.

1.3.

Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 1 juli 2016 blijvend geheel geweigerd, omdat hij heeft nagelaten een hem aangeboden passende baan te aanvaarden. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 16 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellant de hem aangeboden betrekking had kunnen aanvaarden en door dat niet te doen een onnodig beroep doet op de WW. Het Uwv heeft appellant niet gevolgd in zijn opvatting dat, indien de WW-uitkering terecht wordt geweigerd, deze in ieder geval slechts gedeeltelijk, namelijk voor 24 uur per week zou kunnen worden geweigerd, aangezien het aanbod van de werkgever dat aantal uren betrof. Daarbij heeft het Uwv in aanmerking genomen dat de werkgever weliswaar na onderhandeling met appellant een aanbod van 24 uur per week heeft gedaan, maar dat het eerste aanbod van de werkgever een fulltime dienstbetrekking betrof. Indien appellant dit aanbod had aanvaard, was het recht op WW-uitkering geheel geëindigd.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant een concreet werkaanbod van in ieder geval 32 tot 40 uur per week in een passende functie geweigerd. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat de opgelegde maatregel buitenproportioneel is. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant bij aanvang van de WW-uitkering is gewezen op zijn rechten en plichten, doordat in de toekenningsbeslissing wordt verwezen naar de website www.uwv.nl/mijnplichten. Op deze website zijn rechten en plichten eenvoudig vindbaar. Hoewel het op zichzelf begrijpelijk is dat het verliezen van werk spanning met zich meebrengt en appellant hierdoor de consequenties van zijn weigering van het concrete aanbod wellicht niet in volle omvang heeft overzien, komt dit naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het werkaanbod niet passend was. Uit de informatie van [A] tijdens het gesprek met hem op 9 juni 2016 heeft appellant afgeleid dat sprake zou zijn van een hoge werkdruk, wat vanwege zijn gezondheidsklachten een deugdelijke uitvoering van de betreffende baan in de weg zou staan. Voorts heeft appellant aangevoerd dat [A] hem ten onrechte niet heeft gewezen op zijn acceptatieplicht. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat de door het Uwv opgelegde maatregel buitenproportioneel is en niet in verhouding staat tot zijn geheel rechtmatige handelwijze. Ter zitting heeft appellant een nadere toelichting gegeven bij de gesprekken die hij heeft gevoerd met [A] en bij de onaangename indruk die hij daarbij kreeg.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft appellant gesteld dat het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat het Uwv in hoger beroep een lange periode heeft gebruikt om een verweerschrift in te dienen. Deze grond slaagt niet, nu de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een dergelijk gevolg niet verbindt aan een laattijdige indiening van een verweerschrift.

4.2.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW rust op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij nalaat passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt. Op grond van artikel 24, derde lid, van de WW wordt, voor zover in dit geding van belang, onder passende arbeid in het eerste lid verstaan, in de periode voordat zes maanden waarin een recht op uitkering bestaat op grond van deze wet zijn verstreken, arbeid die aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer werkloos is geworden. Na deze periode van zes maanden is alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, passend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke, of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid. Deze nadere regels zijn vastgesteld bij het Besluit passende arbeid WW en ZW en hebben (slechts) betrekking op de passende arbeid in de eerste zes maanden van de uitkering op grond van de WW en de ZW.

4.3.

In artikel 27, tweede lid, van de WW is bepaald dat het Uwv bij het niet nakomen van die verplichting op de WW-uitkering een bedrag blijvend in mindering brengt. Op grond van artikel 27, elfde lid, van de WW wordt het bedrag, bedoeld in het tweede lid, als volgt berekend:

A x B x (C/D). Hierbij staat:

A voor 0,75 in de eerste twee maanden waarop recht op uitkering bestaat en daarna voor 0,7;

B voor het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben indien hij de arbeid, bedoeld in het eerste of twee lid, zou hebben aanvaard, verkregen of behouden;

C voor het dagloon; en

D voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door 5.

4.4.

Dat appellant gehouden was om een concreet passend aanbod te accepteren, volgt uit de wettelijke bepalingen, en is ook onder de aandacht van appellant gebracht bij de aanvang van de WW-uitkering. Het Uwv heeft in het toekenningsbesluit verwezen naar de website van het Uwv waar de diverse rechten en plichten zijn opgenomen. Ook is appellant door middel van een bericht in zijn werkmap eraan herinnerd om de informatie over zijn rechten en plichten op uwv.nl door te lezen.

4.5.

Het is vaste rechtspraak dat pas kan worden gesproken van schending van de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WW als sprake is van een concreet werkaanbod (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:851). Een werkaanbod is in beginsel concreet als de werkgever met de sollicitant ten minste de aard van de werkzaamheden heeft besproken, zich de opvatting heeft gevormd dat de sollicitant voor de uitoefening van deze werkzaamheden geschikt is en kenbaar heeft gemaakt dat hij de sollicitant in dienst zou kunnen en willen nemen.

4.6.

Appellant had ten tijde van het werkaanbod van [A] al ten minste zes maanden recht op WW-uitkering. Dit betekent dat in beginsel alle aangeboden arbeid voor appellant passend was, tenzij redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard zich daartegen zouden verzetten. Niet is gebleken dat van dergelijke redenen sprake was. Niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van een (te) hoge werkdruk. Verder wordt er nog op gewezen dat het aangeboden werk de functie van constructeur bouwkunde betrof. Het ging daarbij om werkzaamheden die in het verlengde lagen van de eerdere activiteiten van appellant als docent. Verder kende appellant het bedrijf omdat hij daar in zijn functie als docent stagiairs en afstudeerders plaatste en begeleidde. Het aangeboden salaris lag bovendien op het niveau van het loon dat appellant bij zijn vorige werkgever verdiende.

4.7.

Appellant en [A] hebben onderhandeld over de omvang van de werkzaamheden. [A] zocht naar een medewerker voor 32 tot 40 uur, appellant wilde 16 uur werken, omdat hij het voornemen had om, naast een baan in loondienst, werkzaamheden als freelancer te gaan verrichten. Dit leidde ertoe dat [A] uiteindelijk op 9 juni 2016 een aanbod voor 24 uur per week heeft gedaan. Het is dat concrete aanbod dat appellant vervolgens op 10 juni 2016 telefonisch heeft afgewezen. Enkele dagen later heeft [A] appellant nogmaals benaderd en gevraagd of hij wilde terugkomen van die eerdere afwijzing, maar appellant is bij die afwijzing gebleven.

4.8.

Gelet op artikel 27, tweede lid, van de WW was het Uwv derhalve gehouden om de vermindering uit het elfde lid van dat artikel te laten plaats vinden op basis van 24 uur en niet op basis van het volledige aantal arbeidsuren. Artikel 27, tweede lid, van de WW kent niet de mogelijkheid om rekening te houden met de mate van verwijtbaarheid. Een (verdere) matiging is in dat verband – waarbij appellant heeft gewezen op de proportionaliteit –, indien wordt vastgesteld dat artikel 24, eerste lid, aanhef en onderdeel b, ten tweede, van de WW niet is nagekomen, niet aan de orde. Dat er inmiddels een onaangename sfeer tussen appellant en [A] zou zijn ontstaan, was geen reden om dat aanbod af te wijzen. Daarbij wordt er op gewezen dat in de weergave die [A] van de gevoerde gesprekken heeft gegeven een ander beeld van de sfeer wordt geschetst. Zo heeft [A] het gesprek van 9 juni 2016 als prettig omschreven.

4.9.

Het hoger beroep slaagt daarom in zoverre, dat het Uwv ten onrechte op de uitkering het volledige aantal uren in mindering heeft gebracht waar dat slechts voor 24 uur mogelijk was. Het Uwv zal dit gebrek in het bestreden besluit dienen te herstellen. Overeenkomstig hetgeen ter zitting met partijen is besproken zal, met toepassing van artikel 8:51d van de Awb, een tussenuitspraak worden gedaan en zal het Uwv worden opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, daarbij uitgaande van een concreet aanbod van 24 uur per week.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 16 november 2016 te herstellen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.R. Trox

VC