Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
17/6859 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb jaar 2014. Appellant heeft niet voldaan aan de in artikel 2.6.9 van de Rsa neergelegde verplichtingen. Bevoegdheid pgb lager vast te stellen dan bij verlening bepaald. Niet aannemelijk gemaakt dat door [zorgverlener 2] en [zorgverlener 1] verleende zorg kunnen worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg die vanuit het pgb mocht worden betaald. Tevens onvoldoende gebleken waaruit de door [zorgverlener 1] verleende zorg concreet heeft bestaan. Reiskosten niet gemaakt in het kader van zorg die uit het pgb mag worden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6859 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

29 september 2017, 16/3935 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

Datum uitspraak: 8 mei 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn curatoren, tevens ouders

[ouder en curator 1] en [ouder en curator 2], heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018. Namens appellant zijn

mr. Brouwer, [ouder en curator 1] en [ouder en curator 2] verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het zorgkantoor in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten. Partijen hebben nadere stukken overgelegd en op elkaars standpunten gereageerd.

Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht nader ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) over het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van netto € 36.523,05 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Bij brief van 18 augustus 2015 heeft het zorgkantoor de verantwoorde kosten voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 voor een bedrag van € 1.217,50 goedgekeurd en voor een bedrag van € 17.094,- afgekeurd. Het zorgkantoor heeft de voor zorgverleners [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] verantwoorde kosten niet geaccepteerd wegens het ontbreken van gegevens. Bij brief van 18 augustus 2015 heeft het zorgkantoor ook voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014 de voor [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] verantwoorde kosten afgekeurd. Een bedrag van € 5.410,- heeft het zorgkantoor wel akkoord bevonden.

1.3.

Bij besluit van 19 augustus 2015 heeft het zorgkantoor het pgb voor het jaar 2014 vastgesteld op € 7.180,03 en een bedrag van € 29.655,64 aan betaalde voorschotten van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2015 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa. De administratie van het pgb is niet op orde. Daarnaast is niet aannemelijk dat de door [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] geleverde zorg

AWBZ-zorg betreft. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat appellant de besteding van het pgb niet op een juiste manier heeft verantwoord. Daarnaast kan de door [zorgverlener 1] en [zorgverlener 2] geleverde zorg niet als AWBZ-zorg worden aangemerkt. Er is niet gebleken dat het zorgkantoor geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De pgb-administratie was inderdaad niet volledig op orde, maar appellant hoefde er geen rekening mee te houden dat het zorgkantoor niet langer instemde met zijn manier van verantwoorden. Voor zover de verantwoorde bedragen niet overeenkomen met de facturen zou de vergoeding beperkt kunnen blijven tot dat wat daadwerkelijk is betaald. De door [zorgverlener 2] en [zorgverlener 1] verleende zorg betreft zorg die uit het pgb mag worden betaald. Appellant is aangewezen op beschut werk met veel begeleiding en [zorgverlener 2] bood dit hem. [zorgverlener 1] heeft er alles aan gedaan om appellant op goede wijze te begeleiden naar werk. Volgens appellant zal hij nooit in staat zijn het terugvorderingsbedrag te betalen en het zorgkantoor had hierin aanleiding moeten zien (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien.

3.2.

Het zorgkantoor heeft in verweer de aangevallen uitspraak onderschreven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9 van de Rsa neergelegde verplichtingen. Het zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.2.

Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij de uitoefening van de bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de verzekerde onevenredige uitkomst. Bij deze afweging is van belang of de verzekerde, ondanks dat door hem niet aan de gestelde verplichtingen is voldaan, voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat deze zorg daadwerkelijk is betaald. Nu de bewijslast in deze op de verzekerde rust, draagt de verzekerde het bewijsrisico. Als door de verzekerde onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt dat, en in welke omvang, AWBZ-zorg is verleend en betaald, dient zijn belang te wijken voor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen.

4.3.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door [zorgverlener 2] en [zorgverlener 1] verleende zorg kunnen worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg die vanuit het pgb mocht worden betaald. Uit de door de ouders van appellant gegeven omschrijving van de door [zorgverlener 2] verleende zorg komt naar voren dat appellant bij [zorgverlener 2] gestructureerde werkzaamheden in een rustige en vertrouwde werkomgeving verrichtte, onder meer om hem te leren zelfstandig aan het arbeidsproces deel te nemen. Dit is niet aan te merken als AWBZ-zorg. Uit de gedingstukken, waaronder het begeleidingsplan van 21 juni 2013, de verklaring van [X.] op 9 december 2017 en de omschrijving bij de facturen, blijkt onvoldoende waaruit de door [zorgverlener 1] verleende zorg concreet heeft bestaan. Omdat niet gebleken is dat de reiskosten van [zorgverlener 1] zijn gemaakt in het kader van zorg die uit het pgb mag worden betaald, kunnen deze ook niet ten laste van het pgb worden gebracht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wijze waarop het zorgkantoor gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen niet onredelijk is.

4.4.

Dat het zorgkantoor al geruime tijd op de hoogte was van de verrichtingen van appellant voor [zorgverlener 2] en heeft ingestemd met de aanwending van het pgb hiervoor, is niet gebleken. Ook is niet gebleken van een gerechtvaardigde verwachting dat de verantwoording over 2014 zou worden goedgekeurd door het zorgkantoor.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het zorgkantoor bevoegd was tot terugvordering van een bedrag van € 29.655,64. De omstandigheid dat appellant het teruggevorderde bedrag niet kan betalen, leidt niet tot het oordeel dat het zorgkantoor niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt. Niet is gebleken dat de terugvordering bij appellant tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Het zorgkantoor zal bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moeten houden met de bescherming van de beslagvrije voet.

4.6.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2019.

(getekend) A.J. Schaap

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ