Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
16/7632 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Loongerelateerde WGA-uitkering ten onrechte vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,75%. Toereikend gemotiveerde medische grondslag. Op basis van de resterende functies met de hoogste loonwaarde bedroeg de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 74,81%. 2) WIA-uitkering ongewijzigd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Zowel de medische als de arbeidskundige grondslag is deugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7632 WIA, 18/764 WIA

Datum uitspraak: 16 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

1 november 2016, 15/7884 (aangevallen uitspraak 1) en van 22 december 2017, 17/3506 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Shaaban, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Shaaban. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als scheepsdieselmonteur voor 39,56 uur per week. Hij heeft zich op 18 april 2013 ziek gemeld wegens lichamelijke klachten.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 19 mei 2015 onderzocht door een arts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van appellant weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 mei 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend. Bij besluit van 8 juni 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 27 juni 2015 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 42,01%.

1.3.

Bij besluit van 3 november 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juni 2015, onder verwijzing naar rapporten van

8 oktober 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 2 november 2015 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 70,75%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid zoals die was weergegeven in de FML van 28 mei 2015 aangevuld met beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Op grond van deze aangepaste FML van 8 oktober 2015 is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor de functies van samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (samensteller) (SBC-code 111180), medewerker intern transport (SBC-code 111220) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010).

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden

besluit 1 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen lichamelijk en psychisch onderzoek, de inhoud van het bezwaarschrift, observatie tijdens de hoorzitting en informatie van de behandelend sector. Uit hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het Uwv een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant per 27 juni 2015 of dat met de door appellant in beroep genoemde klachten onvoldoende rekening is gehouden bij het opstellen van de FML van 8 oktober 2015. De belasting in de voorgehouden functies overschrijdt naar het oordeel van de rechtbank de belastbaarheid van appellant niet.

3.1.

Op 19 oktober 2016 heeft appellant gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht op het spreekuur van 13 december 2016 van een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft de beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de FML van 8 oktober 2015 ongewijzigd overgenomen in een FML van 13 december 2016. Op grond van deze FML is een arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor de functies van productiemedewerker industrie (samensteller)

(SBC-code 111180), samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar

(SBC-code 267050), magazijn-/expeditiemedewerker (SBC-code 111220) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) SBC-code 111010).

3.2.

Bij besluit van 20 december 2016 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 december 2016 vastgesteld op 70,92%. De WIA-uitkering is ongewijzigd gebleven. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van

5 mei 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard onder verwijzing naar rapporten van

13 april 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 5 mei 2017 van een arbeidskundige bezwaar en beroep.

3.3.

Hangende het beroep bij de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar aanleiding van de bezwaargronden van appellant de functie samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050) alsnog laten vervallen omdat in die functie sprake is van een hoog handelingstempo. Zij heeft een mate van arbeidsongeschiktheid van 74,81% berekend.

4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is gehandhaafd op 70,92%, zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 13 december 2016 wordt vastgesteld op 74,81% en tevens bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen aanleiding gehad om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van bestreden besluit 2. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat appellant in beroep geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd op grond waarvan twijfel gerechtvaardigd is over de door het Uwv vastgestelde beperkingen. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van 28 augustus 2017 er onder meer op heeft gewezen dat zowel bij het primaire onderzoek als tijdens de bezwaarfase geen objectieve medische

(hand- of arm)afwijkingen werden vastgesteld die appellant structureel verhinderen handmatig productiewerk te verrichten en dat er bij neurologisch onderzoek geen objectieve afwijkingen zijn vastgesteld die wijzen op beperkingen van de handfunctie van appellant. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen in de FML heeft de rechtbank geen reden gezien om aan de geschiktheid van de aan appellant (uiteindelijk in beroep) voorgehouden functies te twijfelen.

5.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraken. Hetgeen appellant in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft aangevoerd, komt overeen met de tegen aangevallen uitspraak 1 naar voren gebrachte gronden. Appellant heeft aangevoerd dat het door het Uwv vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage geen recht doet aan zijn psychische en lichamelijke beperkingen. Hij staat onder intensieve behandeling van het ziekenhuis voor de aanvallen van duizeligheid en flauwvallen, waarbij hij de controle over zijn lichaam verliest en omvalt, en voor het gewichtsverlies waarvoor geen oorzaak is gevonden. Daarnaast wordt hij behandeld voor psychische klachten. Appellant denkt dat zijn klachten mogelijk het gevolg zijn van het feit dat hij in zijn werk jarenlang blootgesteld is aan chemische (uitlaat)gassen uit de scheepsdieselmotoren die hij moest repareren en heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen die het verband tussen zijn klachten en die werkzaamheden kan onderzoeken.

5.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij vooral moeite heeft met traplopen, tillen en langdurig aaneengesloten zitten, staan en lopen. De functie van medewerker tuinbouw

(SBC-code 111010) is voor hem te belastend, omdat de werkzaamheden in deze functie veelal zittend uitgevoerd moeten worden. Hij heeft een trillende rechterhand en daarom zouden er beperkingen moeten worden opgenomen in de FML voor de onderdelen tastzin, fijne motoriek of anderszins hand- en vingerbewegingen. Daarom is de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) volgens hem ook te belastend. De functie van medewerker intern transport (SBC-code 111220) is volgens appellant niet passend omdat geen sprake zou zijn van een afgebakende taak en omdat in een groep moet worden samengewerkt. Appellant meent dat in alle functies sprake is van een te hoog handelingstempo.

5.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar rechtsoverweging 8 van aangevallen uitspraak 2.

6.2.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de bestreden besluiten berusten op een toereikend gemotiveerde medische grondslag en of terecht is vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen per 27 juni 2015 en per

13 december 2016 tussen de 35 en 80% ligt.

6.3.

In de eerste plaats wordt vastgesteld dat het Uwv van mening is dat voor appellant op beide data dezelfde beperkingen – ook naar aard en mate daarvan – aan de orde zijn. De beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de FML van 8 oktober 2015 zijn ongewijzigd overgenomen in de FML van 13 december 2016.

Aangevallen uitspraak 1

6.4.

Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen als neergelegd in aangevallen uitspraak 1 wordt geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv ter voorbereiding van het bestreden besluit 1 op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant per 27 juni 2015 in de FML van 8 oktober 2015 juist heeft vastgesteld, wordt eveneens onderschreven. Hoewel er geen oorzaak kon worden gevonden voor de duizeligheidsklachten en het flauwvallen van appellant is met die klachten bij de beoordeling rekening gehouden, door het aannemen van beperkingen voor werken op hoogtes of met gevaarlijke machines. Appellant is verder aangewezen op routineafhankelijk werk en een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige storingen, onderbrekingen, een hoog handelingstempo en leidinggevende aspecten. Rechtstreekse conflictsituaties dienen vermeden te worden. Er zijn ook beperkingen in de FML opgenomen in verband met de rugklachten van appellant. Gelet hierop en met inachtneming van de informatie van de behandelend sector is terecht geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om te besluiten tot meer beperkingen. Wat betreft de gestelde trillende handen zijn door appellant geen medische gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat deze klachten zodanig waren dat deze tot arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden. Dit betekent dat de medische grondslag van het bestreden besluit 1 deugdelijk is gemotiveerd. Voor het inschakelen van een deskundige bestaat op grond van het voorgaande geen aanleiding.

6.5.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 wordt vastgesteld dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft beaamd dat, gezien het in 3.3 weergegeven rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 augustus 2017, de bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid gehanteerde functie samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050) ten onrechte is gehanteerd en dat deze dient te vervallen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 8 oktober 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 2 november 2015 en

11 januari 2016 voldoende toegelicht dat de overige geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, terecht voor appellant in medisch opzicht als passend zijn aangemerkt. Van een in deze functies voorkomend hoog handelingstempo is geen sprake. De overige door appellant gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen. Op basis van de drie functies met de hoogste loonwaarde bedroeg de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 27 juni 2015, conform de berekening in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 augustus 2017 en in zoverre in afwijking van de ter zitting gemaakte berekening, 74,81%. De resterende verdiencapaciteit is dan € 912,46 bruto per maand. Het primaire besluit moet voor wat betreft het daaraan ten grondslag liggende arbeidsongeschiktheidspercentage en de vastgestelde verdiencapaciteit daarom worden herroepen.

6.6.

Gelet op de overwegingen 6.4 en 6.5 slaagt het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1, komt aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en bestreden besluit 1 worden vernietigd onder herroeping van het primaire besluit van 8 juni 2015. Doende wat het Uwv zou behoren te doen, zal de Raad het arbeidsongeschiktheidspercentage en de verdiencapaciteit van appellant per 27 juni 2015 vaststellen op respectievelijk 74,81% en

€ 912,46 bruto per maand.

Aangevallen uitspraak 2

6.7.

Op grond van dezelfde overwegingen als de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is geweest van zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Nu ook in hoger beroep geen medische verklaringen zijn ingediend, die duiden op een verslechtering van de medische situatie van appellant op 19 oktober 2016 of 13 december 2016 ten opzichte van die van 27 juni 2015 ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische situatie van appellant niet juist is beoordeeld. Voor het inschakelen van een deskundige bestaat geen aanleiding. Uitgaande van de juistheid van de FML van 13 december 2016 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde resterende voorbeeldfuncties de belastbaarheid van appellant niet overschreden.

6.8.

Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt niet. Deze uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

7. Er is gezien het overwogene over aangevallen uitspraak 1, aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep, in totaal € 2.048,- voor verleende rechtsbijstand. Daarbij wordt aangetekend dat de door appellant gemaakte kosten in bezwaar reeds zijn vergoed.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 november 2015 en herroept het besluit van 8 juni 2015 voor zover daarin de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit zijn vastgesteld;

- stelt de mate van arbeidsongeschiktheid en de verdiencapaciteit van appellant per

- 27 juni 2015 vast op onderscheidenlijk 74,81% en € 912,46 bruto per maand en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.048,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) R.P.W. Jongbloed

GdJ