Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:156

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
17/6046 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag met toekenning van een stimuleringspremie ten onrechte geweigerd. Nu vaststaat dat betrokkene door de stimuleringsmaatregelen ertoe is bewogen om zijn verzoek om ontslag in te dienen, heeft de staatssecretaris dat verzoek ten onrechte afgewezen. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen. Bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar zal de staatssecretaris ook een besluit moeten nemen over dat verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-01-2019
FutD 2019-0246
ABkort 2019/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6046 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 juli 2017, 16/7940 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 16 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens de staatssecretaris heeft mr. G.B. Honders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P. Bots, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018, gevoegd met de zaken

17/6047 AW, 17/6048 AW, 17/8015, 18/1271 AW en 18/2219 AW. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Oenema. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Bots. In de gevoegde zaken is op 22 november 2018 afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 20 mei 2015 is de Investeringsagenda Belastingdienst gepresenteerd aan de

Tweede Kamer, een programma dat gericht is op herinrichting van de Belastingdienst en dat tot gevolg heeft dat naar verwachting ongeveer 5.000 functies komen te vervallen. Op

23 november 2015 heeft de Directeur-Generaal van de Belastingdienst in het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) een voorstel gedaan voor vrijwillige mobiliteit en een uitwerking voorgesteld van het rijksbrede Van Werk Naar Werk (VWNW)-beleid. In verband met de uitwerking van dat programma zijn vanaf 24 november 2015 op het intranet van de Belastingdienst berichten geplaatst waarin de medewerkers worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot in te voeren stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de vrijwillige uitstroom van medewerkers. Op 14 januari 2016 zijn in het GOBD de laatste afspraken over die stimuleringsmaatregelen gemaakt. Deze afspraken zijn opgenomen in hoofdstuk 1, onderdeel 7B (paragraaf 1.7B), van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB). Bepaald is dat de FIOD en de Douane buiten de reikwijdte van deze paragraaf vallen. In paragraaf 1.7B van de PUB is onder meer opgenomen dat medewerkers van de Belastingdienst afspraken kunnen maken over vrijwillige uitstroom onder toekenning van een stimuleringspremie, uitgesplitst in de varianten A en B. Medewerkers konden zich vanaf 1 februari 2016 aanmelden voor vrijwillige uitstroom met gebruikmaking van de varianten A of B.

1.2.

Betrokkene was in dienst van de Belastingdienst en heeft levenslooptegoed gespaard.

Van 1 april 2014 tot 1 november 2014, van 1 januari 2015 tot 1 december 2015 en in het

jaar 2016 heeft betrokkene levensloopverlof opgenomen. Hij maakte tegelijkertijd gebruik van de PAS-regeling, was gedeeltelijk met keuzepensioen en ontving vanaf 1 maart 2015 een WIA-uitkering. Op 7 maart 2016 heeft betrokkene verzocht om ontslag met ingang van

1 mei 2016 met gebruikmaking van variant A en toekenning van een stimuleringspremie. Bij besluit van 3 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 november 2016 (bestreden besluit), is dat verzoek afgewezen.

1.3.

Aan het bestreden besluit heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de stimuleringspremie is bedoeld om als prikkel te dienen voor vrijwillig vertrek. Uit de feiten en omstandigheden blijkt volgens de staatssecretaris dat betrokkene bij inwerkingtreding van paragraaf 1.7B van de PUB duidelijk al het voornemen had om de Belastingdienst te verlaten, zodat stimulering van het ontslag niet meer nodig was. Inwilliging van het verzoek om ontslag met gebruikmaking van de variant A zou in strijd komen met de strekking van de vertrekbevorderende maatregelen. De staatsecretaris heeft verwezen naar de ‘FAQ’ op intranet waarin is vermeld dat, als vastgesteld kan worden dat een medewerker levensloop heeft en duidelijk het voornemen heeft om de Belastingdienst te verlaten, het verzoek om toekenning van een stimuleringspremie wordt afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de staatssecretaris opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen en de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat paragraaf 1.7B van de PUB is gebaseerd op artikel 49xx van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). In dat artikel is dwingend bepaald dat op aanvraag een stimuleringspremie wordt toegekend indien de VWNW-kandidaat afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van Hoofdstuk VIIbis van het ARAR. Dat brengt met zich mee dat de staatssecretaris geen beslisruimte of beleidsvrijheid heeft om al dan niet een stimuleringspremie toe te kennen. Nu betrokkene behoorde tot de doelgroep van paragraaf 1.7B van de PUB, was de staatssecretaris gehouden om hem een stimuleringspremie toe te kennen.

3. Betrokkene heeft op 4 augustus 2017 een verzoek ingediend bij de staatssecretaris om vergoeding van schade tot een bedrag van € 4.758,27. Die schade stelt betrokkene te hebben geleden omdat niet tijdig is beslist op zijn verzoek van 7 maart 2016 om ontslag per

1 mei 2016 met een stimuleringspremie. Het besluit is pas genomen op 3 juni 2016 en daarna kon hem niet eerder dan per 1 augustus 2016 ontslag op verzoek worden verleend. Dat had tot gevolg dat betrokkene in de maanden mei, juni en juli 2016 zijn levensloopsaldo heeft moeten aanspreken tot een bedrag van € 1.586,09 per maand. De staatssecretaris heeft dat verzoek afgewezen. Betrokkene heeft bij brief van 8 december 2017 bezwaar gemaakt tegen die afwijzing en de staatssecretaris heeft dat bezwaar onder verwijzing naar artikel 8:91 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegezonden aan de Raad.

4. In hoger beroep heeft de staatssecretaris zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Paragraaf 1.7B van de PUB geldt gedurende de looptijd van de Investeringsagenda en de daaruit voortkomende reorganisaties voor de Belastingdienst, met uitzondering van de Douane en de FIOD. Bewust en nadrukkelijk is de keus gemaakt om geen specifieke doel- en functiegroepen van ambtenaren aan te wijzen voor de vrijwillige fase. Betrokkene valt dus onder de reikwijdte van de stimuleringsmaatregelen van deze paragraaf.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie variant A. Betrokkene heeft met in het vooruitzicht een stimuleringspremie een aanvraag gedaan voor directe uitstroom.

5.3.

De Raad volgt de staatssecretaris niet in zijn standpunt dat het gebruik maken van de Levensloopregeling in combinatie met het voornemen om na afloop van de levensloopperiode(s) niet meer terug te keren naar de werkvloer en (vervroegd) met pensioen te gaan, in de weg staat aan het toekennen van de stimuleringspremie op grond van

paragraaf 1.7B van de PUB. De Raad acht daarbij van belang dat de periode van levensloopverlof nu eenmaal gekenmerkt wordt door een ‘open einde’ in die zin dat er geen verplichting bestaat om aansluitend aan de periode van levensloop ontslag te nemen en dat een medewerker ook niet de mogelijkheid kan worden ontzegd om weer terug te keren in het werkproces. Dat wordt niet anders doordat betrokkene feestelijk afscheid heeft genomen, waarbij een tegemoetkoming is verleend uit hoofde van het “Beleid Ambtsjubilea en Recepties”, en het voornemen heeft geuit na afloop van de periode(s) van levensloopverlof niet meer terug te keren naar de werkvloer, of de indruk heeft gewekt dat hij dit voornemen had.

5.4.

Het open einde-karakter van de levensloopregeling brengt naar het oordeel van de Raad voorts mee dat de staatssecretaris, indien hij de medewerkers die gebruik maken van levensloop en het voornemen hebben geuit om na afloop daarvan niet meer terug te keren in het werkproces en aansluitend aanspraak te maken op hun (keuze) pensioenuitkering dan wel afscheid hebben genomen had willen uitsluiten van paragraaf 1.7B van de PUB, een uitdrukkelijke uitzondering van die strekking had moeten maken in de regelgeving. Dat voor deze medewerkers de pensioendatum veelal niet meer veraf is, vormt geen reden om hier anders over te oordelen. Immers, ook medewerkers die nog wel werkzaam waren en op termijn de AOW-leeftijd zouden bereiken en die voornemens waren dan met pensioen te gaan, zijn niet uitgezonderd van paragraaf 1.7B van de PUB. De Raad kan niet inzien waarom medewerkers die levensloop hebben gespaard en een periode van levensloop hebben opgenomen, in welke periode zij een uitkering ontvangen uit hun gespaarde levenslooptegoed, met het voornemen met (vervroegd) pensioen te gaan, wel uitgezonderd zouden zijn. Bovendien staat niets eraan in de weg om tijdens een periode van levensloop ontslag te nemen.

5.5.

De staatssecretaris heeft onder verwijzing naar verslagen van het georganiseerd overleg en de FAQ betoogd dat medewerkers van wie duidelijk was dat zij na hun levensloop met pensioen zouden gaan, niet voor vertrek met een stimuleringspremie in aanmerking kwamen. Specifiek heeft de staatssecretaris verwezen naar de volgende verslaglegging:

- in het verslag van het GOBD van 14 januari 2016 is te lezen “Het gaat niet zozeer om de toonzetting maar om het controleren van de juistheid van de afspraken”;

- in het verslag van het GOBD van 17 maart 2016 is over de lijst met gestelde vragen vermeld “De centrales verzoeken de wijzigingen op de lijst inzichtelijk te maken”;

- in de ‘FAQ’ van 29 maart 2016 die op de intranet site van de FNV is gepubliceerd is opgenomen “7.6 Ik ben op dit moment met levensloopverlof en wil daarna de Belastingdienst verlaten met een stimuleringspremie. Kan dat?

Als je je levensloopverlof niet direct voorafgaand aan je pensioen hebt opgenomen keer je in beginsel terug op de functie die je bekleedde voorafgaand aan je verlof. Als je na terugkeer van je verlof besluit om ontslag te nemen kan een stimuleringspremie worden verstrekt, rekening houdend met de gestelde voorwaarden.

Wanneer je in verband met het opnemen van je levensloopverlof al schriftelijke afspraken hebt gemaakt, een ontslagdatum had afgesproken en eventueel een afscheidsreceptie of dergelijke hebt genoten, is het duidelijk dat je het voornemen had de Belastingdienst te verlaten. Indien je alsnog probeert in aanmerking te komen voor de stimuleringspremie is dit tegenstrijdig aan de bedoeling ervan, namelijk medewerkers stimuleren de belastingdienst te verlaten. Als bedoelde duidelijkheid kan worden vastgesteld, wordt een verzoek om toekenning van een stimuleringspremie afgewezen.”

- In het verslag van het GOBD van 14 juli 2016 is bij het agendapunt “Resterende punten uit technisch overleg dd 6 juni” onder andere vermeld “De heer [A] vult aan dat is afgesproken dat voor iemand waarvan het duidelijk is dat hij/zij al zou vertrekken, onder andere doordat de afscheidsreceptie al heeft plaatsgevonden, een stimuleringspremie niet nodig is.”

5.6.

De Raad volgt de staatssecretaris niet in zijn betoog dat uit deze verslaglegging van het GOBD en de FAQ kan worden afgeleid dat in het GOBD de afspraak is gemaakt dat medewerkers die gebruik maakten van de levensloopregeling en van wie duidelijk was dat zij voornemens waren om aansluitend met (vervroegd) pensioen te gaan, althans niet meer zouden terugkeren op de werkvloer en eventueel aanspraak zouden maken op hun (keuze) pensioen, waren uitgesloten van de toepassing van paragraaf 1.7B van de PUB, omdat voor hen stimulering tot vertrek niet nodig was.

5.7.

Alhoewel op zich genomen duidelijk is wat [A] heeft bedoeld te zeggen, wordt zijn stellingname niet gesteund door voorafgaande verslagen van het GOBD waaruit blijkt dat dit onderwerp inderdaad is besproken in het georganiseerd overleg en dat daarover overeenstemming is bereikt in de door [A] bedoelde zin. Aan deze opmerking van [A] die in dat verslag is opgetekend kan, ook niet bezien in relatie met de FAQ, daarom niet de conclusie worden verbonden dat medewerkers in deze specifieke situatie geen gebruik konden maken van paragraaf 1.7B van de PUB en geen aanspraak konden maken op een stimuleringspremie.

5.8.

Nu vaststaat dat betrokkene door de stimuleringsmaatregel genoemd in de variant A ertoe is bewogen om zijn verzoek om ontslag onder toekenning van een stimuleringspremie in te dienen, heeft de staatssecretaris dat verzoek ten onrechte afgewezen.

5.9.

Uit wat onder 5.1 tot en met 5.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

Schadevergoeding betrokkene

6.1.

Zoals onder 3 is vermeld, heeft betrokkene verzocht om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van schade, bestaande uit aangewend levenslooptegoed ten bedrage van in totaal € 4.758,27.

6.2.

De Raad is op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van die schade. Ter uitvoering van de uitspraken van de rechtbank en de Raad is echter nadere besluitvorming door de staatssecretaris vereist, onder meer over de aan betrokkene toe te kennen stimuleringspremie. Daarbij zal de staatssecretaris ook een besluit moeten nemen over het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade. Om die reden komt het verzoek om veroordeling van de staatssecretaris tot vergoeding van schade nu niet voor toewijzing in aanmerking. Met het oog op de beoordeling van de staatssecretaris van het verzoek om schadevergoeding stelt de Raad vast dat vooralsnog niet is gebleken van andere schade dan schade als gevolg van een vertraging in de uitbetaling van een geldsom. Dat verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg.

Proceskosten

7. Aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 512,- voor verleende rechtsbijstand bij het indienen van het verweerschrift en het verschijnen ter zitting in deze en de samenhangende zaak 17/6047 AW met toepassing van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tezamen 2 punten), vermeerderd met de reiskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 21,60.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding van betrokkene af;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 533,60;

- bepaalt dat van de staatssecretaris een griffierecht wordt geheven van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

P. J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Tuit

LO