Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
17/7201 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belastbaarheid appellante op 2 mei 2014. Het beroep van appellante op de uitgangspunten voor de toetsing door de bestuursrechter gelet op het arrest Korošec, slaagt niet. Bij het ontbreken van twijfel aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit is er geen reden om een medisch deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7201 WIA

Datum uitspraak: 1 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

22 september 2017, 17/1193 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2019. Namens appellante is verschenen mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als data management coördinator voor 40 uur per week. Vanaf augustus 2010 is appellante uitgevallen voor haar werkzaamheden in verband met rugklachten. Van 2 augustus 2012 tot 2 mei 2014 heeft appellante een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen.

1.2.

Appellante heeft zich op 7 juni 2016 met terugwerkende kracht per 1 mei 2014 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding van deze melding heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft appellante gezien op het spreekuur van 5 augustus 2016 en heeft op basis van dossierstudie en eigen onderzoek geconcludeerd dat de beperkingen van appellante sinds 2012 niet zijn toegenomen. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 augustus 2012 blijft volgens de verzekeringsarts daarom onverminderd van toepassing. Bij besluit van 9 september 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 2 mei 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 9 september 2016 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen beschikten over een uitgebreid (medisch) dossier. De primaire verzekeringsarts heeft zijn oordeel gebaseerd op door appellante verstrekte informatie en psychisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht betekenis toegekend aan het tijdsverloop tussen de datum in geding en het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, aan het feit dat appellante tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts medewerking aan een lichamelijk onderzoek weigerde en aan het feit dat appellante niet tijdens de hoorzitting is verschenen. Een onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep was dan ook niet nodig. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen op inzichtelijke en overtuigende wijze hebben gemotiveerd waarom er in mei 2014 geen sprake is van een gewijzigde medische situatie ten opzichte van 2012.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar beperkingen. Appellante heeft een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec). Zij acht het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende zorgvuldig en de positie van de verzekeringsartsen binnen het Uwv allesbehalve onpartijdig. Hierdoor is er tussen appellante en het Uwv geen sprake van wapengelijkheid. Dit kan worden weggenomen door het benoemen van een deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv de belastbaarheid van appellante op 2 mei 2014 juist heeft vastgesteld.

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig en volledig zijn geweest. Daarbij is van belang dat uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat hij het dossier heeft bestudeerd, dat hij appellante heeft gesproken en psychisch onderzoek heeft verricht, en dat hij op inzichtelijke wijze heeft gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na bestudering van het dossier de bevindingen van de verzekeringsarts onderschreven. Er zijn geen aanknopingspunten waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de verzekeringsarts of de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het onderzoek en bij de beoordeling van de medische situatie gegevens hebben gemist. Dat dat wel het geval zou zijn, is door appellante onvoldoende onderbouwd.

Stap 2: equality of arms

4.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval niet is voldaan aan het vereiste van gelijke procespositie. Zij heeft voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt dat de medische beoordeling door het Uwv niet juist is te onderbouwen met medische gegevens en tegenbewijs te leveren. Er zijn geen aanwijzingen dat de medische informatie met betrekking tot de datum in geding ontbreekt. Er is een uitgebreid huisartsjournaal met informatie van de behandelend specialisten en laboratoriumonderzoeken aanwezig. De eigen onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen, waaronder de weging van de beschikbare medische informatie, zijn kenbaar betrokken bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van appellante. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit een oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk de informatie van de behandelend artsen hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medisch deskundige te benoemen.

Stap 3: de inhoudelijke beoordeling

4.5.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op de datum in geding onjuist heeft ingeschat. Het uitgebreid gemotiveerde oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in bezwaar en in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per

2 mei 2014 onvoldoende rekening heeft gehouden met haar psychische klachten en vermoeidheidsklachten.

4.6.

Bij het ontbreken van twijfel aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit is er geen reden om een medisch deskundige te benoemen. Het verzoek van appellante wordt afgewezen.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2019.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D.S. Barthel

GdJ