Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
17/7377 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek de hoogte van het eerder vastgestelde vermogen te herzien op de grond dat haar vermogen sterk is verminderd, terecht afgewezen. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien tot toepassing van artikel 59a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv. Volgens verweerder is geen sprake van een vermogensvermindering waarop appellante geen invloed heeft kunnen uitoefenen. Het instorten van de beurs in 2008/2009 betrof weliswaar een bijzondere situatie, maar de daardoor ontstane waardevermindering van de beleggingsportefeuille kan niet anders worden gezien dan een gebeurtenis die inherent is aan het beleggen op de beurs. Niet gebleken is dat aan het beleggen beslissingen ten grondslag hebben gelegen die door appellante niet in vrijheid zouden zijn genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7377 WUV

Datum uitspraak: 17 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Unger, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 oktober 2017, kenmerk BZ011139521 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Unger. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1954, is in 1993 gelijkgesteld met de vervolgde als bedoeld in de Wuv. Aan haar is een periodieke uitkering toegekend. Als gevolg van een toegevallen erfenis is het vermogen van appellante per 1 augustus 2002 nader vastgesteld op € 442.594,83.

1.2.

Naar aanleiding van een door appellante ingediend verzoek heeft verweerder bij besluit van 2 februari 2017 de periodieke uitkering met ingang van 1 januari 2017 opnieuw vastgesteld. Het bezwaar tegen het door verweerder vastgestelde bedrag aan vermogensinkomsten is bij besluit van 18 juli 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verontschuldigbare overschrijding van de bezwaartermijn. Tegen het besluit van 18 juli 2017 is geen beroep ingesteld.

1.3.

In mei 2017 heeft appellante verzocht de hoogte van het eerder vastgestelde vermogen te herzien op de grond dat haar vermogen sterk is verminderd. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 11 augustus 2017 en na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat geen sprake is van een vermogensvermindering waarop appellante geen invloed heeft kunnen uitoefenen.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 59a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv, wordt de uitkering op aanvraag van de uitkeringsgerechtigde opnieuw vastgesteld indien het vermogen van de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot door oorzaken gelegen in factoren waarop de uitkeringsgerechtigde geen invloed heeft kunnen uitoefenen, zodanig is verminderd, dat het niet herzien van de laatst vastgestelde inkomsten uit vermogen tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden.

2.2.

Niet wordt betwist dat het vermogen van appellante drastisch is verminderd. Verweerder heeft niettemin geen aanleiding gezien tot toepassing van artikel 59a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv. Volgens verweerder is geen sprake van een vermogensvermindering waarop appellante geen invloed heeft kunnen uitoefenen.

2.3.

De Raad kan verweerder daarin volgen. In wat appellante naar voren heeft gebracht als redenen van de vermindering van haar vermogen ziet ook de Raad geen omstandigheden waarop appellante geen invloed heeft kunnen uitoefenen. Het instorten van de beurs in 2008/2009 betrof weliswaar een bijzondere situatie, maar de daardoor ontstane waardevermindering van de beleggingsportefeuille kan niet anders worden gezien dan een gebeurtenis die inherent is aan het beleggen op de beurs. Niet gebleken is dat aan het beleggen beslissingen ten grondslag hebben gelegen die door appellante niet in vrijheid zouden zijn genomen. Appellante is geheel uit eigen beweging overgegaan tot de verkoop van de beleggingsportefeuille. Dit geldt evenzeer voor de vermogensvermindering als gevolg van het maken van opstart- en investeringskosten in de eigen onderneming. Het aanwenden van het vermogen voor levensonderhoud is eveneens een omstandigheid waarop appellante invloed heeft. Wat betreft de eerst in beroep gestelde kosten van het reizen naar en het verblijven in Indonesië in wintertijd heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om medische kosten die zij noodzakelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij had het in de rede gelegen dat appellant een aanvraag had gedaan tot vergoeding van die kosten door verweerder aangezien, zoals namens verweerder ter zitting is vermeld, appellante sinds 1994 aanspraak kan maken op een vergoeding van de ongedekte medische kosten. Appellante heeft verder gewezen op het verschil tussen het rendement op het vermogen waarmee verweerder rekening houdt en het feitelijk door appellante behaalde rendement. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Wuv dient verweerder de inkomsten uit het vermogen te bepalen op een percentage van dat vermogen dat gelijk is aan het forfaitaire rendementspercentage van de belastingwetgeving. Verweerder heeft niet de mogelijkheid daarvan af te wijken.

2.4.

Appellante stelt tot slot dat sprake is van een ongelijke behandeling omdat na de wetswijziging van de Wuv per 1 januari 2009 het nadien verworven vermogen niet wordt meegenomen bij de berekening van de periodieke uitkering. Anders dan appellante heeft betoogd is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor alle Wuv-gerechtigden geldt dat na deze wetswijziging het toevallen van vermogen niet meer van invloed is op hoogte van de uitkering, een enkele uitzonderingssituatie die hier niet aan de orde is daargelaten. Van een verboden (in)direct onderscheid naar leeftijd of groep is dan ook geen sprake. Het achterwege laten van een overgangsregeling is een bewuste keuze van de wetgever.

2.5.

Uit 2.3 en 2.4 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2019.

(getekend) H. Lagas

(getekend) F. Demiroğlu

md