Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1492

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
17/726 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 726 ZW

Datum uitspraak: 2 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

7 december 2016, 16/5521 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek tot vergoeding van schade ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door M.A.J.A. Geurts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als mobiel beveiliger. Op 25 augustus 2014

heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Zijn dienstverband is op 10 december 2015 geëindigd.

1.2.

In het kader van een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 5 januari 2016 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 maart 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 68,99% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 7 april 2016 vastgesteld dat appellant met ingang van 11 december 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies laten vervallen en hiervoor een reservefunctie in de plaats genomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van deze wijziging een nieuwe berekening gemaakt en vastgesteld dat appellant nog steeds meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze verricht. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat alle bij de verzekeringsartsen naar voren gebrachte klachten, waaronder de psychische problematiek en rugklachten, alsook de diagnose PTSS, op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling zijn betrokken. Volgens de rechtbank heeft het Uwv de psychische en fysieke belastbaarheid van appellant op de datum in geding in de medische rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. De informatie van de behandelend sector heeft volgens de rechtbank het Uwv terecht geen aanleiding gegeven voor het aanpassen van de FML. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de bezwaar- en beroepsgronden in essentie herhaald. Appellant is van mening dat het Uwv in te geringe mate rekening heeft gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten alsmede zijn medicatiegebruik.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd, een anamnese afgenomen, psychisch onderzoek verricht en helder toegelicht waarom zij van het verrichten van een lichamelijke onderzoek heeft afgezien. Ook heeft de verzekeringsarts gepoogd om bij de behandelend psycholoog medische informatie te verkrijgen over de psychische toestand van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts heroverwogen en afdoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien het ingenomen standpunt te wijzigen.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de belastbaarheid zoals deze door het Uwv is vastgesteld. De verzekeringsartsen van het Uwv waren op de hoogte van de psychische klachten en EMDR‑behandeling van appellant. Op basis van deze informatie en eigen onderzoek hebben de verzekeringsartsen de diagnose PTSS vastgesteld en diverse beperkingen aangenomen in rubrieken 1 en 2. Ook heeft het Uwv kennis genomen van de psychosociale problematiek van appellant en hem beperkt geacht voor werken in de avond en nacht in verband met de opvoeding van zijn kinderen. Hoewel op basis van de toekenning van een ZW-uitkering per 22 maart 2017 en de brief van psychiater C.R. Blanker van 7 maart 2018 niet kan worden uitgesloten dat de psychische klachten van appellant op een later moment zijn toegenomen, blijkt uit de voorhanden zijnde medische informatie, waaronder een brief van huisarts M.C. de Fonteijn van 22 juli 2016 en een brief van de GZ-psycholoog S. van Dijk van 29 augustus 2016, niet dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hebben gehad van de psychische problematiek van appellant op 11 december 2015.

4.4.

Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 5 oktober 2016 overtuigend onderbouwd waarom voldoende tegemoet is gekomen aan de lichamelijke klachten van appellant. Het Uwv heeft voor de rug-, schouder- en armklachten van appellant beperkingen aangenomen voor ‘dynamische handelingen’ en ‘statische houdingen’. De informatie van fysiotherapeut S. van Berkel die ziet op de periode 3 november 2015 tot

8 december 2015 geeft geen aanleiding om aan deze vastgestelde beperkingen te twijfelen.

4.5.

De beroepsgrond van appellant dat het Uwv te weinig rekening heeft gehouden met zijn medicatiegebruik wordt evenmin gevolgd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd welke beperkingen hij van de mogelijke bijwerkingen van zijn medicatie op de datum in geding heeft ervaren. Wat betreft de beroepsgrond van appellant dat hij ten gevolge van zijn medicatiegebruik op 11 september 2016 een maagoperatie heeft ondergaan, wordt geoordeeld dat het Uwv reeds met ingang van deze datum aan appellant een ZW-uitkering heeft toegekend.

4.6.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij dit oordeel is er geen ruimte voor veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door appellant gevorderde schade.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) D.S. Barthel

RB