Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:1491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
18/3667 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Het college heeft op grond van de medische adviezen van de GGD kunnen concluderen dat niet is gebleken dat appellante continu afhankelijk is van begeleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3667 BABW

Datum uitspraak: 1 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 mei 2018, 16/6388 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) als rechtsopvolger van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie stadsdeel Nieuw-West van de

gemeente Amsterdam (algemeen bestuur)

PROCESVERLOOP

Waar hierna over “college” wordt gesproken, wordt tevens het “algemeen bestuur” bedoeld.
Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Kramer. Het college is vertegenwoordigd door mr. H. Verhaar.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 10 augustus 2015 een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een passagier aangevraagd.

1.2.

Het college heeft de aanvraag in een besluit van 15 september 2015 afgewezen. Hierbij heeft het college zich gebaseerd op adviezen van de GGD van 12 augustus 2015 en van 7 september 2015. In deze adviezen is onder meer geconcludeerd dat appellante niet van deur tot deur afhankelijk is van de ondersteuning door een ander. Bij deze beoordeling is onder meer getoetst aan het Protocol gehandicaptenparkeervoorzieningen van de Vereniging van indicerende en adviserende artsen van november 2008 (Protocol). Appellante heeft tegen het besluit van 15 september 2015 bezwaar gemaakt.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft het college opnieuw advies ingewonnen bij de GGD. In het GGD-advies van 23 december 2015 staat dat er geen aanleiding is om de eerdere adviezen te wijzigen.

1.4.

Het college heeft in een besluit van 29 augustus 2016 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het college heeft verwezen naar de medische adviezen en meegedeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor toekenning van een GPK voor een passagier, dat appellante van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarbij foto’s van een MRI-scan van haar knie, een daarbij behorende radiologische beoordeling en brieven van haar behandelende orthopedisch chirurgen ingediend. De GGD heeft op 7 augustus 2017 advies uitgebracht naar aanleiding van deze stukken. In dat advies staat dat deze stukken geen aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen dan in de eerdere medische adviezen.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het college zich heeft mogen baseren op de adviezen van de GGD, die op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze zijn opgesteld en berusten op zorgvuldig onderzoek. Wat appellante heeft aangevoerd, biedt geen grond om de juistheid van de adviezen in twijfel te trekken. De brief van 3 juni 2015 van de MO-zaak waarin staat dat appellante aanvullend vervoer kan gebruiken mits zij begeleiding en ondersteuning ontvangt van de chauffeur, is geschreven vanuit een ander beoordelingskader. In de brief staat ook niet dat appellante continu begeleiding nodig heeft. Het college is op grond van de GGD-adviezen terecht tot de conclusie gekomen dat appellante niet in aanmerking komt voor een GPK voor een passagier.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft volhard in haar standpunt dat zij vanwege artrose in haar knie van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een GPK worden verstrekt.

4.2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling), kunnen voor een GPK in aanmerking komen:

passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat dat appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. Partijen hebben wel verschillende meningen over de vraag of appellante ook voldoet aan de voorwaarde dat zij voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.

4.4.

De Raad is het eens met de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geeft de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Het college heeft op grond van de medische adviezen van de GGD kunnen concluderen dat niet is gebleken dat appellante continu afhankelijk is van begeleiding. Uit de medische adviezen blijkt dat appellante alleen kan wachten, al dan niet zittend, totdat de auto is geparkeerd of opgehaald. Ook op de zitting is niet duidelijk naar voren gekomen dat appellant op de plaatsen van bestemming (genoemd zijn bijvoorbeeld: zwembad, ziekenhuis, school van de kinderen, instanties) niet zittend zou kunnen wachten, totdat de bestuurder van de auto weer bij haar is. Het betoog van appellante dat in haar geval gelet op de parkeerdruk in Amsterdam niet mag worden uitgegaan van de veronderstelling in het Protocol dat het in het algemeen mogelijk moet zijn om de auto binnen tien minuten te parkeren en terug te lopen naar de passagier, doet hier niet aan af. Het eerst tijdens zitting aangevoerde standpunt dat zij niet alleen kan wachten op de terugkeer van de bestuurder omdat dan de kans bestaat dat zij last krijgt van lichamelijke klachten vanwege de ziekte van Crohn, heeft appellante niet onderbouwd met medische stukken. Bovendien was bij de GGD bekend dat appellante lijdt aan de ziekte van Crohn en was dit feit voor de GGD geen aanleiding om aan te nemen dat appellante continu afhankelijk is van begeleiding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college de aanvraag van appellante om een GPK voor een passagier mocht afwijzen.

4.5.

Uit wat onder 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2019.

(getekend) A.J. Schaap

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md