Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2019:148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
18/1200 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om uitbreiding van de huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week, terecht afgewezen. Geen medische noodzaak voor uitbreiding van huishoudelijke hulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1200 WUBO, 18/1233 WUBO

Datum uitspraak: 17 januari 2019

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 30 januari 2018, kenmerk BZ011159873 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2018. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1935, is op grond van psychische invaliditeit erkend als

burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan appellant zijn de toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo en verschillende voorzieningen toegekend, waaronder de vergoeding van een dagdeel huishoudelijke hulp.

1.2.

In juli 2017 heeft appellant verzocht om uitbreiding van de huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week. Bij besluit van 28 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van een medische noodzaak voor uitbreiding van huishoudelijke hulp. Daarbij is overwogen dat appellant nog in staat is tot het verrichten van de lichte huishoudelijke werkzaamheden.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van

70 jaar of ouder, zoals appellant, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp

per week kan worden toegekend indien hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Een voorziening voor twee dagdelen per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen onderschreven (bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2493).

2.2.

Verweerder heeft de aanvraag van appellant om advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur R. Loonstein, arts. Deze arts heeft op basis van een persoonlijk onderhoud met appellant, waarbij door hem ook zijn betrokken de gegevens van de huisarts en de behandelend psychiater, geconcludeerd dat geen medische noodzaak is voor uitbreiding van het al aan appellant toegekende dagdeel huishoudelijke hulp. Het bezwaar is voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, de arts A.M. Ohlenschlager. Deze arts heeft het advies van Loonstein onderschreven. Ook Ohlenschlager ziet geen medische noodzaak voor meer dan het al eerder toegekende dagdeel huishoudelijke hulp.

2.3.

De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen. Tijdens het persoonlijk onderhoud dat Loonstein met appellant heeft gehad zijn de (on)mogelijkheden van appellant binnen het huishouden voldoende uitgevraagd. Zo wordt gemeld dat appellant in staat is tot het doen van lichte boodschappen, helpt hij met de afwas, stoft hij, verzorgt hij zijn ontbijt en maakt hij geregeld de wasbak en doucheruimte schoon. Dat appellant niet meer in staat is tot het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals door hem ter zitting is gesteld, is daarmee onvoldoende aangetoond. Medische gegevens op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de onmogelijkheden van appellant op het gebied van lichte huishoudelijke werkzaamheden ten tijde hier van belang zijn onderschat, zijn immers niet voorhanden. Om die reden heeft verweerder kunnen afzien van een second opinion in de vorm van een nieuw medisch onderzoek zoals op zitting door appellant is bepleit. Nu evenmin is gebleken dat bij appellant sprake is van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag bestaat geen medische noodzaak voor meer dan een dagdeel huishoudelijke hulp.

2.4.

Uit 2.3 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van F. Demiro─člu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2019

(getekend) H. Lagas

(getekend) F. Demiro─člu

md